Claes van der Asseldonck Wellen van der Asseldonk Jacob Matheus Jacobszn Jacob Hendrick Jacobszn

Familie van Hendrick van Asseldonk


Woonplaats: Veghel

Beroep: boer

Geboren: in 1713
          Vader  : Hendrick, zoon van Hendrick Hendricks van Asseldonk
          Moeder: Maria, dochter van Jan Claes Raaijmakers

Overleden:

Gehuwd in 1740 met: Jenneke, dochter van Adriaen Vogels

Kinderen:

- 1741: Adriaen
- 1743: Maria
- 1745: Aert
- 1746: Dirck
- 1750: Helena
- 1752: Geertruij
- 1753: Martinus
- 1759: Geertruij


Gegevens:

1.
Hendrick werd op 23 januari 1713 in Veghel gedoopt.
(Bron: RANB, DTB Veghel)

2.
Toen Hendrick 7 jaar was, overleed zijn moeder. Het parochieregister van Veghel vermeldt dat zij op 21 januari 1720 begraven werd en dat ze in het kraambed stierf.
(Bron: RANB, DTB Veghel)

3.
Op 30 januari 1740 gingen voor veghelse schepenen in ondertrouw: 'Hendrik Hendrike van Asseldonk, jongman, out omtr(ent) 26 jaeren ende Jenneke Aerten (moet zijn: Adriaen) Vogels, jonged(ogter), out omtr(ent) 23 jaeren, beijde geboortig ende woonagtig alhier.' Ze trouwden op 14 februari 1740 voor schepenen.
(Bron: RANB, DTB Veghel)

4.
Ze trouwden op 7 februari 1740 voor de kerk.
(Bron: RANB, DTB Veghel)

5.
Bij de dopen van zijn kinderen worden o.a. de volgende peetouders vermeld:
1741: Henricus van Asseldonk
1743: Joanna de Leest
1745: Lambertus van Asseldonk
1746: Godefridus van Asseldonk
1752: Lambertus Henrici van Asseldonk
1759: Adriana Verbruggen
(Bron: BA 's-Hertogenbosch, DTB Veghel)

6.
In 1749 werd er een inbraak met geweld gepleegd in het huis van Hendrik van Asseldonk. De volgende getuigenis werd door de Veghelse schepenen opgetekend (de interpunctie is aangepast).

"Wij ondergeschreeve schepnen in Veghel, ons op dato den 18 julij 1749 begeeven hebben ten huijse van Hendrik Hendrik Verasseldonk, woonagtig alhier ter plaatse Ham, alwaer gepasseerde nagt een inbraeke en cruelle behandelinge aen 't gansche huijsgesin gepleegt en bestoolen is geworden. Soo ist dat op mondelinge vraege ter instantie van 't hoog officie der stadt en meierije van 's Bosch hebben verclaert, getuigt ende gedeponeert: voor eerst den voornoemde Hendrik Hendrix Verasseldonk, Jenneken Adriaen Voogels, zijne huijsvrouwe, bijde gequetst te bedde liggende, Elisabeth Hendrik Voogels, dienstmaagt, out omtr(ent) 25 jaeren, ende Leendert Aart Smits, dienstknegt, out omtr(ent) 19 jaeren.

Dat gepasseerde nagt omtr(ent) één uur onder den durpel aen 't agterdeur is doorgegraeven, aldaen die agterdeur geopent en vervolgens door de middeldeur in desselfs huijsinge zijn gecoomen. Zij deponenten, half-slaepende, iets hoorende aen 't vuur knappen, apparent buspoeder daer ingeworpen, waerop zij wakker wordende, een grooten vlam stroij saagen branden, verbeeldende dat het huijs in brand was. Dat de twee eerste deponenten daerop van haer bedt sprongen en alsdaen drie manspersoonen zaegen. Waeronder eene was met blauwe keel, eenen met een bruijnen rok en eenen met bruijnen keel, daeronder een striepen hemdrok. Waeronder een was met swart gekrolt haren en eenen wat bleek van aensigt. Deese vagebonde twee ligte aengestookt hebbende, in haer handt ziende, soo haer voorstaet, ieder een sakpistool.

Dat zij, tweede deponente, een slag van deselve aen haer hooft kreeg en daerop ter aarde nederviel. Soo en gelijk zij ook deeden op den eersten deponent, vattende haer alsdaen beijde, eerst haere voeten bindende, daernaer haere handen op den rug, leggende alsdaen haer beijde plat met het aengesigt op de aarde en bedeckende deselve met de laekens van 't bed om niet te connen sien. Vraegende alsdus naar haer gelt, dog geantwoort: "Wij hebben geen gelt, als datter in de kast in de broek is." Een van die comphie sijde: "Waer is dan de sleutel?" Antwoordende zij tweede deponente: "Die steekt in mijnen rok," biddende zij gebondende, dat zij dog haer leeven alsmede van haere onnosele kinderen wilde spaeren. Dat deese persoonen eijndelijk den sleutel vindende, de kast opende en het gelt tot omtr(ent) ses g(ul)d(e)n daeruijt haelde. Willende deese quaetdoenders hebben dat zij deponenten meer gelt soude wijsen, oft anders den hals aff soude snijden. Dat zij daer nog geen genoegen oft contentement mede willende neemen, deese
vagebonden en booswigten de tang in 't vuur heet maekende, alsdaen haer met de gloijende tang bijde haere beenen hebbende toegeneepen, om haer gelt te wijsen. Ook verschijde deerlijke stokslaegen, soo op haer hooft als lichaam kreegen. En sijde sij: "Soo dit nijpen met deese gloijende tang nog niet genoeg is, sullen wij, soo gij uw gelt niet wijst, den hals affsnijden."

De derde deponente die op haer bed liggende, staende teegenover de slaepstede van de twee eerste deponenten, al dat werk van deese drie booswigte aansiende, ook sag dat zij drie sakpistolen op tafel lijde, seer stil hieldt, egter immediaet door deese persoonen eerst met een spistool aen 't hooft wierd geslaegen en alsdaen haere voeten gebonden, daernaer met het aengesigt omlaeg gelijt en haere handen op den rug gebonden. En vermits sij alsdaen niet stil conde liggen, kreeg nog eenen swaeren slag op haeren rug. Verders gehoort en gesien als bij de twee eerste deponente is verclaert. En wijders gesien dat een van deese booswigten, hebbende aen eenen blauwen keel, dat die stondt met het broodtmes in de handt op den keel van den eersten deponent, zeggende: "Ik mag wel leijden dat mij de duijvel hael, soo ik uw keel niet afsnij, indien gij geen gelt meer en wijst." Dit geschiede alles tijde als de andere comphies de
kast opende en plunderde.

Den vierden deponent verclaert dat hij op zijn bedt in de kamer lag, een grooten vlam oft ligt sag, waerop uijt sijn bed opstondt en na de keuken ging. Soo ras wierde dese quaetdoenders hem niet gewaer, oft wierd van haer aengetast, op de gront gesmeeten, eerst de voeten en daernaer de handen op den rug gebonden en hem een vrouwe rok oft schort over sijn hooft gedaen, zeggende: "Zijt gij nu maer stil, uw sal geen leet geschieden." Dat een wijnig tijt daernaer hoorde dat de tang uijt het vuur wierd gehaelt, alwaer de twee eerste deponenten mede zijn geneepen en wel soodaenig dat hij het nijpen, mits de tang gloijig was, hoorde sissen. En het gekerm van deselve was seer naar om te hooren. Daerbij, het dreijgen, indien sij het gelt niet wijsden, van den hals af te snijden, scheen hem deponent als doodelijk voor te coomen. Dat hij wel weet vier persoonen, drije gecleet als booven, heeft gesien. En nog eenen, zijnde den vijfden stout, soo hem deponent dunkt, aen de deur naast de stal uijtgaende.

Wijders verclaeren dat opgemelte booswigten alnog haer twee eerste deponente zoontje, out zeeven jaeren, aen handen en voeten hadden gebonden. Nog een dogtertje van vijff, mede handen en voeten. En nog een soontje van vier jaeren, alleen de handen gebonden. dat zij, naar dat alles gerooft hadden, soo van cleagie, linnen, wollen hemden, twee stukken ongeblijkt linne, gelt, manshoeden, schoenen, kleeren van den knegt, als andersints, wel te waerde van ontr(ent) tweehondert vijfftig gulden, opgepakt en mede genoomen hebbende, dog voor haer vertrek den knegt eerst nog op twee andere plaatsen aen de beenen gebonden, zijde: "Maakt dat gij het hier niet van en segt. maar ofte wij dat zeggen oft niet, morgen sult gij het evenwel doen. En gaet maar naar de drost, naar alle gedagte (denoteerende daer mede onder secretaris). Wij kennen den duijvel wel, want die konnen wij genoeg dwingen. En soo wij dat hooren, dat gij ons beklapt hebt, koomen wij wederom, al wast over twee jaeren en sullen u huijs in brandt steeken en laetende u leevendig in verbranden."

De twee eerste deponenten hebben ieder twee quetsuure op haer hooft, verschijde blauwe placken van de toegebragte slaegen op haer lichaem. Daerbij ieder aen een been deerlijk gebrandt en soodaenig van de gegeeve quetsuure gebloijt, dat haer hemden, ons schepenen vertoont, niet anders als bloet geleekenen. Dese bende hebben medegenoomen eenen hoedt en in de plaets van dien gelaeten eenen anderen hoedt, die zij doorsneeden hadden, nog gelaeten een paer schoenen, agter met traatsen beslagen.

De twee eerste deponenten verclaeren alnog dat wanneer zij ter aarde waren nedergeslaegen, zij booswigten zijde: "Wij zijn wel in 't regte huijs, maer bij de oude luijden niet. Waer zijn die nu?" En bij haer deponenten wierd geantwoort: "Die zijn doodt en weg." Dat zij booswigten wederom repliceerde: "Dat kan niet helpen, geslieden moeten het nu besnieten."

Hendrik Hendrik van Asseldonk, Elisabeth Hendrik Voogels en Jenneke Adriaen Voogels ondertekenden met een kruisje, verklarend niet te kunnen schrijven. De knecht ondertekende met: 'Lindert Aart Smits'.
(Bron: RA Veghel, inv. nr. 103, fol. 14v-17)

7.
Ten tijde van de overval huurde Hendrik een huis van de twee kinderen van Jan van Doorn. Daarvoor woonde er zijn oom Dirk Hendrike van Asseldonk.
(Bron: OAA Veghel, inv. nr. II-E-17 en 18)

Deze Dirk overleed in 1746 en zijn weduwe werd op 11 of 14 juni 1749 in veghel begraven.
(Bron: RANB, DTB Veghel)

Uit de erfdeling van het goed van de weduwe blijkt dat ze 900 gulden in huis had.
(Bron: RA Veghel, inv. nr. 103, fol. 17v-19)

De overvallers moeten gedacht hebben de weduwe en haar geld aan te treffen.

8.
Als eigenaars en bewoners van huis nr. 180 in Veghel aan het Ham worden vermeld:
1736: - de hoeve van de 2 kinderen van Jan van Doorn, bewoner: Dirk Hendrikse
          - Hendrik van Asseldonk de jonge
1761-1771: - het huis van de 2 kinderen van Jan van Doren, bewoner: Hendrik van Asseldonk
1776-1791: - het huis van de 2 kinderen van Jan van Doren, bewoner: Martinus van Asseldonk
1798     : - het huis van de 2 kinderen van Jan van Doren, bewoner: de weduwe van Martinus van Asseldonk

Als eigenaars en bewoners van huis nr. 181 in Veghel aan het Ham worden vermeld:
1736-1761: het huis van Lambert Jacobs, bewoner Dirck van Santvoort
1766     : het huis van Hendrik H. van Asseldonk, bewoner: Adriaan Ketelaars
1771     : het huis van Hendrik van Asseldonk, bewoner: 'Aart den soon'
1776-1781: het huis van Hendrik van Asseldonk, ook bewoner
1786     : het huis van de weduwe van Hendrik van Asseldonk, bewoner: Johannes Verputten
1798     : het huis van de weduwe van Martinus van Asseldonk, bewoner: Willem Peeter van de Ven
(Bron: OAA Veghel, inv. nr. II-E-17 en 18)

9.
Hendrik had tussen 1752 en 1776 bijna steeds 18 lopens land gehad en tussen 1777 en 1781 meestal 12 lopens. Tussen 1782 en 1787 bezat hij meestal 10 lopens land. Het aantal koeien lag tot omstreeks 1775 op 5 of 6 met vaak 1 of 2 kalveren erbij. Van 1776 tot 1787 worden meestal 3 of 4 koeien vermeld, soms met een kalf erbij.
(Bron: OAA Veghel, inv. nr. II-E-180 t/m II-E-214)

9.
De eigenaren van een perceel van 2 lopens, 45 roeden en 8 voeten in Veghel in het 'Agterste Dorshout', (kadaster 1832: deel A937) waren:
- het kind van Aart Jan Leesten
- Hendrik Hendrix Verasseldonk, door koop op 16 juni 1742
- Antonij Aart Jan Leesten, door koop op 23 juni 1743

De eigenaren van een perceel van 110 roeden, in Veghel op het Ham (kadaster 1832: D1024) waren:
- Hendrick Claas Marcelissen
- Adriaan Hendrick Joosten, door koop in 1725
- zijn 8 kinderen, vererving in 1737
- Jenneke Adriaan Hendrik Joosten, getrouwd met Hendrik Hendrix Verasseldonk, door deling op 21 maart 1744

De eigenaren van een perceel van 27 roeden en 3 voeten in Veghel aan het Ham en een perceel van 1 lopens, 12 roeden en
5 voeten) waren:
- Lambert, zoon van Jacob Jan Jacobs
- Dirk Jacob Santvoort
- Hendrik Hendrix Verasseldonk, door koop op 5 januari 1763

De eigenaren van een perceel van 220 roeden in Veghel op het Ham (kadaster 1832: D1025 en deel D1026) waren:
- Elisabeth Adriaen Hendrik Joosten
- Hendrik hendrix Verasseldonk, door koop op 18 februari 1751
(Bron: RANB, ARRGD, inv. nr. 170 en 171)

10.
Hendrik van Asseldonk werd op 30 april 1784 in Veghel begraven.
(Bron: RANB, DTB Veghel)

11.
Jenneke, de weduwe van Henricus van Asseldonk, werd op 20 november 1786 in Veghel begraven.
(Bron: RANB, DTB Veghel)

12.
Op 28 juli 1792 erfden de kinderen van wijlen Hendrik Hendrik van Asseldonk 10 gulden van hun tante Joanna van Asseldonk.
(Bron: RA Veghel, inv. nr. 110, geen folio nr.)

13.
Op 27 december 1786 deelden de kinderen van Hendrik van Asseldonk het goed van hun ouders.
1e lot: Marten Hendrik van Asseldonk:
- huis, schop, bakhuis en aangelegen grond in Veghel op het Ham, groot circa 14 lopens
- Hij moet geven aan het 2de lot: 25 gulden, 3e lot: 225 gulden, 4e lot: 225 gulden, 5e lot: 275 gulden en het 6de
  lot: 250 gulden.

2e lot: Joannis Lambert Verputten, gehuwd met Helena Hendrik Hendrice van Asseldonk
- een perceel akker- en weiland op Ham, groot circa 5 lopens
- 25 gulden van het 1e lot

3e lot: Aart Hendrik hendrice van Asseldonk
- een perceel akker- en weiland op Ham, groot circa 2 lopens
- een weiland op het Ham, 'het Nieuwvelt', groot circa 1 lopens
- 225 gulden van het 1e lot

4e lot: Adriaan Hendrik Hendrice van Asseldonk
- 2 stukken akkerland op het Ham, 'het Hams landt', groot circa 3 lopens
- een weiland op het Ham, 'het Nieuwvelt', groot circa 1 lopens
- 225 gulden van het 1e lot

5e lot: Geertruij Hendrik Hendrice van Asseldonk
- een weiland op Ham, 'het Nieuwvelt', groot circa 2 lopens en 10 roeden
- 275 gulden van het 1e lot

6e lot: Laurens Jan van Hooft, getrouwd met Maria Hendrik hendrice van Asseldonk
- een weiland op het Ham, 'het Nieuwveld', groot circa 2 lopens
- 250 gulden van het 1e lot

Met hun eigen naam tekenden: 'Art Hendrick van Asseldonk', 'Marten Hendrik van Asseldonk', 'Laevrens Janse van Hoof'. Met een kruisje tekenden: Adriaan Hendrick van Asseldonk, Geertruij Hendrick van Asseldonk en Johannis Lambert Verputten, omdat ze niet konden schrijven.
(Bron: RA Veghel, inv. nr. 109, fol. 217-220)
Afkortingen Historische sites