Claes van der Asseldonck Wellen van der Asseldonk Jacob Matheus Jacobszn Jacob Hendrick Jacobszn

Familie van Martien van Asseldonk

Families-258 Sander 2006.JPG (320457 bytes)

Op de foto's: Sander (2002), Marleen (2003), Elles met Martien (2003) en Marieke (2003)

Voor meer foto's klik hier

Woonplaats: Zijtaart, na zijn huwelijk in Nairobi (Kenya), Negombo (Sri Lanka) en Kabul (Afghanistan)

Beroep: physisch laborant, hierna ontwikkelingswerker, management adviseur en historicus

Geboren: in 1954
	Vader: Piet, zoon van Theodorus Antonius van Asseldonk
	Moeder: Gerarda Maria, dochter van Johannes van Erp

Overleden: 

Gehuwd in 1980 met: Joke, dochter van Harrie van den Oever

Kinderen:

- 1982: Marieke
- 1984: Sander
- 1987: Elles
- 1989: Marleen

Gegevens:

De volgende informatie gaat over mezelf. Tja, wat zet ik er op en wat niet? Ik heb naar mezelf gekeken als naar de andere 'Van Asseldonken' op deze site. Dat wil zeggen dat ik in de derde persoon schrijf en me voornamelijk basseer op globale informatie en publieke (veelal geschreven) bronnen.

1.
Martien (Mathias Maria Pius) werd op zondag 11 juli 1954, om 19.15 uur 's avonds geboren als zoon van Piet van Asseldonk en Gerarda Maria van Erp. Zijn oudere broers en zusjes bezochten voor de gelegenheid de speeltuin op de Koevering te Sint-Oedenrode (waar een zus van Martiens moeder woonde).

2.
Hij deed in 1961 in Zijtaart zijn eerste H. Communie en werd er in 1966 gevormd.

3.
Van 1963 tot 1970 was hij lid van de hobbyclub te Zijtaart onder leiding van Ton Rietbergen.

4.
In 1964-1965 was hij lid van de 'Rakkers' van het Katholieke Jongensgilde te Zijtaart .

5.
Van 1965 tot 1970 was hij lid van de 'junioren' van het Katholieke Jongensgilde, later Jong Nederland geheten.

7.
Veghelse krant, voorjaar 1970
Jong nederland Zijtaart klasseerde voor nationale kampioenschappen
Met de festiviteiten in het kader van het zilveren jubileum van Jong Nederland Zijtaart nog vers in het geheugen, heeft deze jeugdafdeling get afgelopen weekeinde als het ware een kroon weten te zetten op dit jubileum door zich weten af te vaardigen voor de nationale kampioenschappen van Jong Nederland, die nog deze maand in Gennep worden gehouden. Dit alles gebeurde tijdens de grote provinciale wedstrijden die zaterdag en zondag in Nuland hebben plaats gevonden en waarbij door de jury behalve op het bivakkeren speciale nadruk werd gelegd op een middeleeuwse tocht met moeilijkheden en op de sportonderdelen raambal en minivoetbal. Op beide facetten sloeg het Zijtaartse Jong Nederland vendel onder leiding van vendelleider M. van Asseldonk onde de 24 deelnemende afdelingen een goed figuur, want niet alleen werden alle sportwedstrijden gewonnen, men kreeg zelfs extra waardering voor de improvisatie bij de handicaptocht, die uiteraard in middeleeuwse kledij moest worden uitgevoerd. (..) Dit alles gaf uiteraard nogal reden tot een enthousiaste ontvangst van Jong Nederland-jeugd (..).

8.
Hij ging in Veghel naar de MULO(A) (1966-1970).

9
Hierna ging hij 2 jaar (1970-1972) naar de MTS in 's-Hertogenbosch.

10.
In 1970-1972 was hij lid van de 'senioren' van Jong Nederland en vanaf 1970 tot 1980 ook leider.

11.
Hij was enige tijd lid van de KPJ (Katholieke Plattelands Jongeren) (1970-1973).

12.
Hij volgde onderwijs aan de HTS in 's-Hertogenbosch (Elektrotechniek) (1972-1977).

13.
De eerste pennevruchten van Martien van Asseldonk waren berichten vanaf circa 1975 voor Jong Nederland in de
Veghelse Courant.

14.
In februari 1975 nam hij het intittief voor de buurtklup voor Carnaval 'Lochten Timmer'.

15.
In 1976 was hij medeoprichter van de 'Evenementengroep Zijtaart'. Op 13 mei 1976 opgericht onder de naam 'Aktiegroep Zijtaart'.

16.
Ook was lid van de voetbalvereniging VOW in Zijtaart (ca. 1976-1980) (derde en laagste elftal).

17.
In de winter 1977-1978 nam hij de 8 mm. film 'De Zevenling' op met de seniorengroep van Jong Nederland Zijtaat. De film werd op 15 juni 1978 in Zijtaart voor het eerst vertoond.

18.
In 1979 richtte hij de 'Milieugroep Zijtaart' op vanwege bouwaktiviteiten in de plaatselijke bossen 'De Bulten'.

19.
Van 4 november 1977 tot 2 augustus 1979 was hij plaatselijke correspondent van het Brabants Dagblad in Zijtaart. Hij deed dat samen met de heer R. Dijkstra uit Zijtaart.

20.
Brabants Dagblad, 8 november 1977
Nieuwe correspondent in Zijtaart
Veghel - Met ingang van maandag j.l. is Martien van Asseldonk de nieuwe correspondent in Zijtaart geworden. Iedereen in Zijtaart die nieuws voor onze krant heeft, kan voortaan bij hem terecht. De heer van Asseldonk woont aan de Pastoor Clercxstraat 22, telefoon 64607.

21.
Hij schreef: Jeugdfestival van Gilde Jong Nederland (4 november 1977); Open dag van Jong Nederland Zijtaart (7 november 1979); Collecte in Zijtaart (7 november 1977); School in de winter 15 minuten later (9 november); Nieuwe slagerij Zijtaart (10 november 1977); Sinterklaas zondag in Zijtaart (1 december 1977); Sint in Zijtaart (5 december 1977); Optocht Zijtaart (23 december 1977); Zaterdagavond in Zijtaart voor het eerst pronkzitting (11 januari 1978); Harry de Vierde regeert Zijtaart (16 januari 1978); Zijtaart (2 februari 1978); Concert van St. Cecilia (ca. 6 maart 1978); Goed concert Cecilia Zijtaart (9 maart 1978); Zilver voor Driek Ophey (13 maart 1978); Vooral voor Jong Nederland en KPJ. Ruimtenood in Zijtaart (21 maart 1978); Paaseierenactie van J.N. in Zijtaart (24 maart 1978); Bejaarden Zijtaart vergaderen (ca. 3 april 1978); Nieuwe bestuursleden bejaardenbond ZIjtaart (4 april 1978); Bespreking kleuterschool Zijtaart (ca. 12 april 1978); Zijtaart (28 april 1978); Goud voor J. v.d. Ven (2 mei 1978); Herdenking in Zijtaart (3 mei 1978); Zijtaart wint rakker- en zwaluwendag J.N. (11 mei 1978); CDA forum Zijtaart: informatieve sfeer (mei 1978); Gesprek over jeugdaccomodaties (mei 1978); Zeshonderd ruiters in concours Zijtaart (31 mei 1978); Zevenling in Zijtaart (15 juni 1978); Drie dagen wandelen in omgeving Zijtaart (11 augustus 1978); Morgen in Zijtaart reŁnie oud-strijders (ca. 4 september 1978); I-II-17 voor 39e keer bijeen op reŁnie. Indrukwekkende herdenking in Zijtaart (11 september 1978); Nieuw bestuurslid J.N. Zijtaart (18 september 1978); Grote ruimteproblemen verenigingen Zijtaart (26 september 1978); KVO Zijtaart neemt afscheid van mevr. Van Eert (27 september 1978); Zr. Agatha 75 jaar kloosterlinge (ca. 4 oktober 1978); Elf-elf bal in Zijtaar (ca. 10 november 1978); Sinterklaas komt zondag in Zijtaart (23 november 1978); Sinterklaas bracht bezoek aan Zijtaart (30 november 1978); Veel lof jubilerend schoolhoofd "Stralende feestdag" voor C. Mollen Zijtaart (2 december 1978); Kaarten in Zijtaart voor Het Zorgenkind (6 december 1978); Nieuwe prinsen Zijtaart en Mariaheide (12 januari 1979); Reigersland (15 januari 1979); Kijkdag bij J.N. in Zijtaart (17 januari 1979); Teams van Zijtaart en Eerde winnen in Beers (24 april 1979); Zijtaartse jeugd bezoekt klooster (8 mei 1979); Jong Nederland Zijtaart kampioen (juni 1979); Drukke receptie voor 8 PK Zijtaart (9 juni 1979); JN Zijtaart in Eurocamp te Bergharen
(2 augustus 1979).

22.
Op 9 november 1977 werd hij gekozen in de werkgroep Sport en Jeugd van de Welzijnsraad van de gemeente Veghel, met als speciaal aandachtspunt het verkrijgen van een behoorlijke accomodatie voor de jeugd in Zijtaart. In 1981 werd jeugdcentrum 'De Molensteen' opgericht.

23.
In de periode 1977-1980 werkte hij als researcher bij Philips (Elcoma) in Veldhoven.

24.
Eind 1978 startte hij met zijn broer Mari een onderzoek naar zijn stamboom, waarvan deze website verslag doet.

25.
Op 12 september 1980 trouwde hij met Joke (Johanna Godefrida Anna Modesta) van den Oever uit Den Boskant (gemeente Sint-Oedenrode). Joke werd op 1 april 1955 in Den Boskant geboren, als dochter van Harrie van den Oever en Adriana van Lieshout.

26.
Van 1981 tot 1985 werkten zij in de krottenwijken van Nairobi (Kenia) bij de 'Undugu Society of Kenya'. Joke in een gezondheidsprogramma, Martien als adviseur van een technische school en later als coordinator van een leerlingenstelsel-programma.

27.
Brabants Dagblad maart 1981
Jo en Martien van Asseldonk willen helpen. Zijtaarts echtpaar vertrekt naar Kenia.
Zijtaart - Martien en Jo van Asseldonk reizen maandag 23 maart af naar Kenia in Afrika. In de hoofdstad van dat Derde Wereldland, de miljoenenstad Nairobi, gaan de twee Brabanders de gezondheidszorg en de technische scholing van Kenianen verbeteren. De Zijtaartse Evenementengroep is van plan het echtpaar steun van het thuisfront te geven. De inwoners van Zijtaart worden morgen door middel van een stencil op de hoogte gesteld van de plannen van de evenementengroep. Het vertrek van Martien en Jo van Asseldonk komt niet zomaar uit de lucht vallen. Al geruime tijd lopen ze beiden rond met het idee om in Afrika te gaan werken voor de minst welvarende bewoners van deze wereld. De twee staken hun licht op wat er mogelijk is met uitzending naar de tropen. Er zijn in Nederland nogal wat organisaties die zich bezighouden met dat werk.

Mill Hill
Uiteindelijk werd met de Brits-Nederlandse organisatie Mill Hill een contract gesloten. Mill Hill hield zich in eerste instantie bezig met de uitzending van uitsluitend geestelijken, maar breidde haar werkzaamheden later uit tot het plaatsen van leken in de ontwikkelingslanden. Mill Hill werkt in Kenia nauw samen met de Stichting Undugu. Undugu betekent solidariteit of verbroedering en die organisatie heeft in Kenia onder meer diverse jeugdclubs, vrouwengroepen en weeshuizen op poten gezet. Behalve dat is Undugu de inspirator van technische, agrarische opleidingen en stichtte de organisatie een basisschool. Hoog in het vaandel staat bij Undugu het gebruik van eigen, Keniase krachten. Dat laatste is niet in de laatste plaats ingegeven door de beperkte geldelijke middelen van de stichting. Soms is het aantrekken van Europeanen zoals Jo en Martien onontkoombaar.

Opleiding
Jo en Martien hebben een opleiding van Mill Hill van een half jaar achter de rug, waarin de slechte leefomstandigheden in Kenia, de talen die er gesproken worden, en de leefwijze in het tropisch land behandeld werden. Jo van Asseldonk gaat zorg dragen voor een betere gezondheidszorg. Haar verpleegstersopleiding werd gekoppeld aan een speciale tropencursus. Martien houdt zich in eerste instantie bezig met het verbeteren van het leerporgramma van een technische school. Op die school wordt les gegeven in timmeren, metselen en autotechniek op L.T.S.-niveau. Martien vult die cursussen aan met een opleiding elektrotechniek en hij gaat ook de leraren in Kenia bijscholen. Hijzelf heeft een H.T.S.-diploma en is bevoegd om les te geven. Het werk van Jo en Martien staat, in weerwil van voornoemde taken, niet op papier. Veel ervan moet ter plaatse worden ingevuld.

Verschil
Het verschil in leefwijze tussen een welvaartsland als Nederland en Kenia is natuurlijk groot. Het huis van Jo en Martien van Asseldonk staat aan de rand van de vele krottenwijken in Nairobi. Het salaris is vergelijkbaar met het inkomen van een plaatselijke kracht en is beduidend lager dan dat in Nederland. Ervaringen van mensen uit Europa, die veel tijd in een ontwikkelingsland gewerkt hebben leren echter, dat na deze stap achteruit het niet zo moeilijk is om in een welvaartsmaatschappij terug te keren.

28.
Uit hun huwelijk werden in Nairobi geboren:
- Marieke, op 1 mei 1982, studeerde in september 2003 psychologie in Nijmegen
- Sander, op 1 juli 1984, studeerde in september 2003 natuurkunde in Nijmegen

29.
Hij publiceerde vanaf 1982 over cultuur en Derde Wereld.

30.
In 1985 verscheen: Dansen als het regent, uitgave van de Week voor de Nederlandse Missionaris (CMC, Oegstgeest 1985)

31.
Brabants Dagblad, 8 juni 1985 Door: Rien van der Steen
Martien en Joke van Asseldonk uit Zijtaart terug uit sloppen Nairobi
'Dansen als het regent' in Kenia
Mathare Valley, een sloppenwijk in Nairobi, de hoofdstad van Kenia, Afrika. "Zwerfgeiten en poepende peuters in het open riool tussen de krotten, zo diep hurkend dat ze het slijk raken. Een witte Mercedes Benz die zich tussen de stulpjes doorwringt om de huur, notabene van de krakkemikkige huisjes, op te halen. De drek wordt plaatselijk bedekt met schillen, plastic en papier. De stank van rottend fruit en het riool slaan door mijn botten. En overal druist het genoeglijke leven om me heen, alsof ik midden op een reusachtige mierenhoop sta. Iedereen beweegt, zit, praat, is met zijn eigen dingen bezig. Ieder apart, schijnbaar ongeordend. Slonzige kinderen wroeten in een vuilnishoop en steken fruitresten in hun mond. Hun smerige kleren hangen in flarden om hun oedeembuiken. Overal jong grut. En afval (..)" Een fragment uit het boekje "Dansel als het regent" van Martien van Asseldonk (30) uit Zijtaart. Van Asseldonk werkte samen met zijn vrouw Joke vier jaar in Mathare Valley. Sinds een paar weken woont hij weer thuis bij zijn moeder in Zijtaart, gemeente Veghel. "Dansen als het regent" werd in een oplage van 20.000 exemplaren uitgegeven in het kader van de Week voor de nederlandse Missionaris, een actie onder voorzitterschap van mgr. J. Bluyssen, ex-bisschop van Den Bosch. Het boekje is niet in de boekhandel verkrijgbaar. In 1981 werden Martien en Joke van Asseldonk door de organisatie van Mill-Hill uitgezonden als vrijwilligers. Martien, electro-technicus van beroep en Joke, verpleegkundige, vertrokken niet uit onvrede met het leven in Nederland. "Maar om daar wat te kunnen betekenen, voor een deel uit sociale bewogenheid." Aanvankelijk werkte Martien op een technische school, later was hij begeleider van ambachtslieden. In zijn boekje slaagt hij erin om de kern van het bestaan van de Afrikanen in de miljoenenstad Nairobi te beschrijven. Van Asseldonk gebruikt daar geen diepgravende beschouwingen voor, maar beschrijft in een erg directe stijl hoe arme drommels dagelijks moeten scharrelen om aan hun kostje te komen. Het boekje is een bundeling van vijf verhalen, die de uitzichtloosheid van het ellendige bestaan in een krottenwijk voelbaar maken. Corruptie, boefjes van een turf hoog, hoeren, bittere armoede. "Het is een illusie te denken dat we in vier jaar veel hebben kunnen doen. Toch kunnen vrijwilligers wat betekenen, onder meer de mensen daar kritischer leren denken en hen vaardigheden bijbrengen waar ze verder mee kunnen komen", zegt Martien van Asseldonk. Hij gaat nu, terug in Nederland, proberen een baan te vinden. "Maar we zouden ook best terug naar Afrika willen, samen met onze twee kinderen die in Kenia geboren zijn.

Stakkers
Van Asseldonk schrijft over de dadendrang van mama Karanja die voor de ogen van verbouwereerde moeders zuigflessen verbrijzelt, omdat borstvoeding de enige deugdelijke vorm van babyvoeding is. Over de "parking boys", die geparkeerde auto's tegen vergoeding bewaken en banden stukprikken als de chauffeur de service weigert, over de enorme tegenstellingen tussen arm en rijk, de gekwiekste snelle jongens en de arme stakkers in de marge van de samenleving. Van Asseldonk beschrijft fijntjes de onmogelijke samenwerking met het opportunistische, corrupte schoolhoofd Kamau en geeft lyrisch blijk begaan te zijn met het lot van Nyoki, een mooi meisje met kraaltjes in het haar. Ze is zwanger geraakt van een jongen, die echter van niets weten wil. Tien shilling kostte de liefde. De baby komt later om bij een brand... De verhalen van Van Asseldonk maken duidelijk, dat hij zich met het lot van de mensen verbonden voelt. Maar ook, dat hij de mentaliteit vaak niet begrijpt. Het gelaten aanvaarden van onheil bijvoorbeeld. Een absurde gemeenschap, onbegrijpelijk en keihard, zo komt Mathare Valley in de verhalen van Van Asseldonk over. De naam van zijn boekje ontleent hij aan de "hoestende dronkaard", die wankelend naar buiten stapt als het begint te regenen, zijn handen ten hemel heft en zingt. De man verloor zijn hele veestapel bij een langdurige droogte. Hij liet zijn familie en dorp in de steek en kwam naar Nairobi. "Ziek en gek, want steeds gaat hij naar buiten om te dansen als het regent."

Pretenties
Blanken, die uitgezonden worden naar Afrika, moeten niet teveel pretenties hebben, is de ervaring van Martien en Joke van Asseldonk. "Niet de mentaliteit hebben van 'wij zullen dat klusje hier wel eens even klaren'. Het basiswerk dient daar eigenlijk te gebeuren door de Afrikanen zelf. Je hebt goede en slechte missionarissen. De Nederlandse missionaris maakt er in het algemeen veel en goed werk van. Veel buitenlandse zendelingen die wij ontmoetten verkondigden echter op erg conservatieve wijze het evangelie. Als blanke word je in die wereld al heel snel op een voetstuk geplaatst. Zwarten denken dat je de wijsheid in pacht hebt, omdat je gestudeerd hebt, omdat je stamt uit een rijke samenleving." Ergens schrijft Van Asseldonk dat honden in Nairobi zelfs afgericht zijn om uitsluitend zwarten te bijten. "Zal ik Afrika ooit begrijpen?" vraagt de Zijtaartse vrijwilliger zich elders in zijn boekje af.

32.
Veghelse Courant, 12 juni 1985
Leven in de marge van een Afrikaanse grootstad
Martien en Joke van Asseldonk na vier jaar terug in Veghel
Veghel - sinds enige tijd is Martien van Asseldonk met zijn gezin terug uit de krottenwijken van Nairobi, Kenia.Reden daarvan: zijn kontrakt met de organisatie die hem op vrijwillige basis uitzond, is beŽindigd. Het gezin Van Asseldonk, Martien, zijn vrouw Joke en hun twee kinderen, die beide in Nairobi geboren zijn, hebben vier jaar in Kenia doorgebracht. Over zijn ervaringen heeft hij in 1983 een boekwerkje met korte verhalen geschreven dat is uitgegeven ter gelegenheid van de Week voor de Nederlandse Missionaris. Sinds enige tijd is het boekwerkje ook te koop. Sinds zijn terugkomst woont het gezin Van Asseldonk in Zijtaart. Beiden zijn werkeloos. Wat en waar ze naar toe zullen gaan, ze weten het nog niet. Begin 1981 vertrokken Martien en Joke, toen 26 en 25 jaar, kinderloos als vrijwilligers naar Nairobi. Via de Paters van Mill Hill waren zij als buitenlandse hulpkrachten aangetrokken voor het Undugu-projekt. Het projekt was een poging om iets te doen voor de duizenden jonge kinderen die zonder vorming en opleiding, zonder begeleiding of middelen van bestaan in Nairobi rondzwierven, kinderen van gezinnen die van het platteland naar de stad trekken, verlokt door schone schijn, maar ook veroordeeld tot een uizichtloos bestaan. Ze komen terecht in een omgeving met nauwelijks sanitaire voorzieningen, waar het vuil zich ophoopt en waar de eenzijdige voeding en huidziektes de meest voorkomende kwalen zijn onder de kidneren. "Tachtig tot negentig percent heeft er geen idee van wie hun vader is, ze leren al gauw zelf hun kostje bij elkaar scharrelen", aldus Martien. Martien, elektrotechnikus van beroep, werd door Undugu aangesteld als adviseur bij een technische school. Later ging hij zich bezighouden met de begeleiding van de talloze ambachtslieden in de zogenaamde informele sektor. Zijn vrouw Joke werkte in de begeleiding van dee vrouwengroepen die zich met elkaar organiseren om weerbaar te zijn en betere levenskansen voor zichzelf en hun kinderen te schappen. Martien: "Tachtig tot negentig procent van de jongeren leren een vak bij een lokale vakman. Daarom hebben we een programma opgestart voor een informeel leerlingstelsel. Getracht kleinschalige bedrijfjes op te krikken door het geven van goede adviezen, het verstrekken van kleine leningen, het bevorderen van een stuk produktontwikkeling." "Het werk in de krottenwijken van Nairobi heeft ons buitengewoon geboeid. In de vier jaar van ons verblijf hebben we heel wat Kenianen tot vriend gemaakt. Juist daardoor hebben we goed en plezierig kunnen werken. Daardoor weet ik hoe de Keniaan leeft, denkt. Ben ik op plaatsen gekomen waar een ander niet komt en heb ik m'n ogen de kost kunnen geven." De verhalen van Martien van Asseldonk zijn dan ook geen hoogdravende verhalen geworden maar een openhartige schildering van het leven, direkt opgeschreven vanuit zijn eigen ervaring.

Buitenstaander
Van Asseldonk komt er voor uit zelf in zijn boekje een buitenstaander te blijven. Hoewel hij bekent aanvankelijk het plan gehad te hebben zijn verhalen te schrijven door de bril van een Keniaan, heeft hij deze weer snel afgezet. "Na vier jaar ben je nog geen Keniaan. Het verschil in cultuur, denken en levenswijze van deze mensen is dermate groot dat je je dat nooit echt eigen zult maken. Je moet jezelf niet aanmatigen dingen te kunnen die buiten je bereik liggen. Vandaar dat ik op een andere manier aan de slag gegaan ben. De keuze was toen niet meer zo moeilijk. Wat ik persť niet wilde was een verslag maken over m'n werk. Geen droge, saaie informatie, dat dringt niet door tot de lezer. Wat ik wilde bereiken is de mensen duidelijk maken waar het eigenlijk om draait, wat het betekent om in de krottenwijken te leven. Gewoon uit het leven gegrepen dus. Het overbrengen van een stuk realiteit, maar wel gemakkelijk leesbaar. Uiteindelijk is het een mengvorm geworden van een verslag (een stuk informatie dus), een lekker leesbaar verhaal, waarbij de lezer de gelegenheid heeft tussen de regels door zijn eigen invulling eraan te geven. Ik hoop dat mensen mijn boekwerkje willen lezen. Van de tien verhalen die ik geschreven heb zijn er vijf gebundeld. Vijf liggen er nog te wachten. Wat ik ermee wilde bereiken is de mensen een indruk geven van het leven in de marge van een Afrikaanse grootstad, de mensen binnen te voeren in een wereld waar het onrecht letterlijk op straat ligt en met alle zintuigen kan worden waargenomen. Het boekje wordt in de komende weken huis aan huis te koop aangeboden in Zijtaart en kost tien gulden. De opbrengst gaat volledig naar projekten in de derde wereld." Het boekwerkje van Van Asseldonk is niet in de boekhandel verkrijgbaar. Mensen buiten Zijtaart die belangstelling voor het boekje van Van Asseldonk hebben kunnen dit bestellen bij Een Derde Wereld Informatiehuis, Postbus 750, 5201 AT 's-Hertogenbosch, tel. 073-218970 of bij Martien van Asseldonk, Pastoor Clercxstraat 22 in Zijtaart, tel. 04130-64607.

33.
Brabants Dagblad, 18 februari 1986
Joke van Asseldonk uit Zijtaart: "Waalrese vrouwen kunnen hulp geven aan Kenia"
"De vrouwen van Nairobi zijn niet dom of lui en zelfs niet zielig. Ze zijn alleen opgegroeid in een voor ons vreemde situatie". Joke van Asseldonk-van den Oever uit Zijtaart weet waarover ze praat en wil daar alles over vertellen aan de mensen die het maar willen horen. Ze komt morgenavond op uitnodiging van het Vrouwengilde in Waalre daarover praten. "Ik wil de Waalrese vrouwen er vooral van overtuigen dat ze daadwerkelijk hulp kunnen verlenen aan de vrouwen in de Derde Wereld. In Waalre is een winkeltje waarin ze voor de vrouwen van Nairobi eigengemaakte spullen verkopen. Ze zouden daar in Waalre eigenlijk die spullen moeten verkopen die de vrouwen in Nairobi maken." Samen met haar man heeft Joke van Asseldonk vijf jaar in Kenia gewerkt. Ze werkte er als verpleegkundige. "Natuurlijk probeer je je eigen kennis over te brengen. Dat doe je door nŠŠst de mensen te werken en niet van bovenaf zaken te regelen. je moet ook proberen hun zelfrespekt te laten behouden". Joke van Asseldonjk en haar man werken in de organisatie van de paters van Mill Hill. De beide dochters van het echtpaar Van Asseldonk zijn in Kenia geboren. "Het was beter, dat er voor mij een Keniaanse verpleegkundige ging werken. Dat is nog niet helemaal gelukt, maar er zijn wel gezondheidscomitťs opgericht met een gezondheidswerker aan het hoofd". "De mensen willen zelf best in betere omstandigheden leren leven. We hebben
hen helpen inzien, dat er veel gedaan kan worden aan zaken als hygiŽne, voorlichting op het gebied van gezsinsplanning en dergelijke zaken. Ik weet zeker, dat we evenveel van hen hebben geleerd als zij van ons." Het vrouwengilde van Waalre heeft in Kenia een vrouwengroep geadopteerd die met onder meer naailessen is begonnen. Het is eenvoudig om voor die mensen de portemonnaie open te maken, wanneer daar genoeg in zit. Het kost meer moeite om een weg te vinden, waarlangs de hulp zo gegeven kan worden, dat de mensen in Kenia met behoud van hun eigen waarde en door middel van zelfbewustvorming het wat beter krijgen, meent Joke van Asseldonk. "Misschien kunnen we woensdagavond samen met de vrouwen in Waalre tot ideeŽn komen", aldus Joke van Asseldonk. Martien en Joke van Asseldonk zijn van plan om zich ook verder metterdaad voor de mensen in de derde wereld in te zetten. Ze hebben nieuwe contacten gelegd die er mogelijk toe kunnen leiden, dat ze nog dit jaar elders mensen in hun ontwikkeling kunnen gaan helpen. De avond begint om 20 uur in Het Klooster. iedereen kan voor f 2,50 de avond bijwonen.

34.
Van mid 1985 tot mid 1986 woonde het echtpaar Pastoor Clercxtraat 20a, Zijtaart. Ze verbouwden de helft van de ouderlijke boerderij van Martien tot woonhuis. Martien reisde in het voorjaar van 1986 naar CaÔro (Egypte) en Nairobi (met behulp van een subsidie) om verslag te doen van het leven van mensen die leven van vuilnis.

35.
Hij publiceerde vanaf 1985 over geschiedkundige onderwerpen.

36.
Brabants Dagblad, januari of februari 1986
Streekarchief krijgt stukken over heerlijkheid in bruikleen.
Archief Jekschot boven water
Veghel - "Schitterend materiaal," W. Cornelissen van het streekarchivaat Langs Aa en Dommel is in zijn nopjes. Na een lange speurtocht is hij eindelijk op het spoor gekomen van een belangrijk archief over de heerlijkheid Jekschot. Een verzameling boerderijtjes en landerijen gelegen tussen Erp, Zijtaart, Lieshout en St. Oedenrode. Het archief over dit gebied was in handen van de familie Sopers. Voor een deel heeft die het materiaal aan het streekarchief afgestaan. Streekarchivaris Cornelissen kan nu aan het puzzelen. Al jaren was Cornelissen op zoek naar het archief van de heerlijkheid Jekschot. …ťn spoor had hij. de heemkundekring van St. Oedenrode had in het verleden een man op bezoek gehad die een cijnsregister (voor belastingen) van Jekschot te koop had aangeboden. De heemkundekring had de man verwezen naar het Rijksarchief in Den Bosch. Pogingen om de man alsnog op te sporen liepen dood in Boekel en Aarle-Rixtel. Via Van Asseldonk uit Zijtaart kwam Cornelissen op het juiste spoor. Van Asseldonk heeft over de geschiedenis van Jekschot een artikel geschreven in het heemblad van Veghel en volgens hem zou de Bossche familie Sopers het archief bezitten. En dat bleek het geval. (..)

37.
Van 1986 tot 1997 woonde het echtpaar in Negombo, Sri Lanka. Daar werden geboren:
- Elles, op 10 april 1987, in september 2003 scholier (atheneum) aan het mgr. Zwijssencollege in Veghel
- Marleen, op 25 februari 1989, in september 2003 scholier (gymnasium) aan het mgr. Zwijssencollege in Veghel

38.
In 1987 werd gepubliceerd: ‘Je hebt vuile nagels broer’: korte verhalen uit de slums van Nairobi, [eindred. Rob van Mierlo; foto’s Jan van Eijkeren... et al.], (Stichting Gezamenlijke Missiepubliciteit, BijEENpublikatie 51, ‘s-Hertogenbosch 1987) ISBN: 90-6678-032-0, 72 pag.

39.
In Sri Lanka richtte Joke een intenationale school in Negombo op (NICE). Martien werkte bij 'Janawabodha Kendraya' in Negombo als programmaviseur en manager van een bootwerf. In 1991 werkte hij een half jaar in Sri Lanka als tolk voor het Internationale Rode Kruis. Daarna tot mid 1993 voor Janwabodha Kendraya en hierna voor een organisatie van landloze moerasbewoners 'Janodaya Kendraya' in Mutharajawela en Uswetikayawa in Sri Lanka, tussen Negombo en Colombo.

40.
In 1993 startten zij een boerderij in Sri Lanka, groenten, mango-bomen en teakbomen, genaamd: 'Heron Agro Products (pvt) ltd.' In 1996 betrokken ze een nieuwgebouwd huis in Negombo aan de lagune.

41.
In 1997 verscheen: De sidderende buffel, uitgave van de Week voor de Nederlandse Missionaris (CMC, Oegstgeest
1997) ISBN 90-72954-13-0.

42.
Noordbrabants Historisch Nieuwsblad 11 (1997), nr. 4, 18-20; door Arnoud-Jan Bijsterveld en Theo Cuijpers Onder amateur-historici komen allerlei verschillende beroepsgroepen voor, van dominees to maatschappelijk werkers. We hadden tot voor kort het idee dat ontwikkelingswerkers wel nauwelijks zouden voorkomen onder de belangstellenden voor de eigen omgeving. Immers, wie zijn eigen streek verlaat om de medemens in den vreemde te gaan helpen, moet wel een minder sterke band hebben met eigen huis en haard. Martien van Asseldonk is waarschijnlijk de uitzondering op deze regel.

Omdat Martien van Asseldonk meestal elders verkeert, hebben we zijn bezoek aan Nederland deze zomer aangegrepen voor een gesprek. Voor een oude boerderij die dienst doet als vakantiewoning en die hij met zijn gezin had gehuurd, troffen we Martien in het late avondzonnetje dat zich toevallig liet zien. Martien van Asseldonk is een boerenzoon uit Zijtaart onder Veghel. Ofschoon hij geschiedenis altijd wel interessant vond, koos hij toch voor een technische opleiding. Tot 1977 studeerde hij elektrotechniek aan de HTS en daarna werkte hij als laborant bij de bekende gloeilampenfabrikant uit Eindhoven. De rust en regelmaat van het bestaan van de Philips-employť stonden hem niet aan. Een leven waarbij al vijftien jaar van te voren kon worden uitgerekend op welke functie men zou kunnen eindigen, stuitte hem tegen de borst en met zijn vrouw besloot hij de grote stap te wagen en naar Kenia te gaan, waar hij werkte in een school voor straatkinderen in Nairobi. Ondertussen had zijn belangstelling voor geschiedenis vaste vorm gekregen. Martien was begonnen met stamboomonderzoek, zoals zoveel historisch geÔnteresseerden. Toen hij daarbij stuitte op een boerderij met de naam 'de Asseldonkse Hoef' in de heerlijkheid Jekschot (tussen Veghel en Sint-Oedenrode) was zijn belangstelling voor de geschiedenis van het Oost-Brabantse landschap en zijn bewoners gewekt. Hij liet toen al merken een echte doorzetter te zijn - een eigenschap die hem ongetwijfeld ook als ontwikkelingswerker goed van pas kwam -, liet zijn stamboom voor wat die was en raakte geboeid door de streekgeschiedenis. Hij stootte als het ware door tot de 'roots' van de eigen 'roots'. Zijn verblijf in Kenia ging intussen niet over rozen. Er waren conflicten met lokale politici en uiteindelijk ging hij daar werken in het leerlingstelsel. Zijn ervaringen in Kenia vormde de basis voor het boekje Dansen als het regent, dat hij in 1985 schreef in de serie Mensen met een missie.

Rode en Sri Lanka
Nadat zijn contract in Kenia was afgelopen en hij naar Zijtaart was teruggekeerd, besloot hij uiteindelijk naar Sri Lanka te gaan. Vůůr het vertrek naar dit Aziatische land had hij de Helmondse cijnsboeken van de cijnskring Peelland laten kopiŽren. Hij hoopte daar de avonden met het ontrafelen van deze middeleeuwse bronnen te kunnen doorbrengen. De puzzel trok hem wel aan en zonder al te veel voorkennis ging hij aan de slag. Door de binnenlandse onlusten in Sri Lanka moest hij vaak binnen blijven en vaak kwamen dan de cijnsboeken op tafel. De puzzelstukjes gingen geleidelijk aan passen en regelmatig stuurde hij kleine artikeltjes voor het Veghelse heemkundeblad richting Nederland. Zijn doel was aan de hand van de cijnsboeken de ontwikkeling van het Veghelse cultuurlandschap te reconstrueren. Daarbij kwam hij tot de conclusie dat er een verband moest zijn tussen de cijnskring Peelland en het raadselachtige graafschap Rode. De afhankelijkheid van materiaal uit Nederland brak Martien even op toen de bevriende archivaris in Veghel overleed en de kopieŽnstroom uit die plaats opdroogde. Martien zette zijn historische activiteiten even op een laag pitje. Maar in 1993 hoorde hij over plannen om een boek uit te geven waarin de relatie tussen het graafschap Rode en de cijnskring Peelland zou worden besproken. Martien besloot de onderzoekers voor te zijn, zette zich weer met alle aandacht tijdens de lange avonden in Sri Lanka aan zijn minutieuze onderzoek en kon in 1994 in Helmonds Heem zijn lange artikel 'Licht op Peellands verleden. Het graafschap Rode en de cijnskring Peelland' het licht laten zien. Daaruit vloeide ook een artikel in Brabants Heem voort, getiteld 'Het graafschap Rode. Bouwsteen van het middeleeuwse kwartier Peelland', dat verscheen in 1996. Sindsdien onderhoudt hij - via brieven, fax en, sinds kort, ook via e-mail intensief contact met collega-onderzoekers in Nederland.

'Teruggeworpen op je eigen oordeel'
Tijdens zijn verblijf in Kenia en Sri Lanka begon Martien steeds meer overeenkomsten te zien tussen de samenleving-in-verandering waarin hij leefde en de middeleeuwse samenleving die hij onderzocht. 'Ik heb het voordeel dat ik het moderniseringsproces in drie traditionele samenlevingen van nabij het meegemaakt', zegt hij, 'namelijk op het Brabantse platteland, in Kenia en in Sri Lanka.' Hij ontdekte dat, zoals in Sri Lanka nu, niet de economie of de politiek, maar de mens en zijn relaties centraal stonden in het dertiende-eeuwse Brabant. Dit inzicht bracht hem de verklaring voor veel schijnbare onregelmatigheden in de cijnsboeken. Zijn theorie is dat de cijnzen aanvankelijk aan personen waren gekoppeld en dat er pas later een relatie kwam met de grond. Ofschoon deze theorie niet keihard te bewijzen valt, kreeg hij veel steun van de vakhistorici. Martien miste tijdens zijn onderzoek een bibliotheek en het contact met andere onderzoekers. Aan de andere kant was hij hierdoor helemaal op zichzelf aangewezen en moest hij het alleen doen met de bronnen en met wat hij om zich heen zag. Door zijn ervaringen kon hij zich beter verplaatsen in de traditionele cultuur en daardoor beter begrijpen wat er zich in de dertiende eeuw in Brabant afspeelde. Niet alleen als ontwikkelingswerker in Sri Lanka maar ook als historisch onderzoeker moest Martien het helemaal alleen doen, of, zoals hij het zelf zegt: 'Je wordt steeds op je eigen oordeel teruggeworpen'. De basis voor zijn handelen is voor Martien nieuwsgierigheid. Vanuit die nieuwsgierigheid wil hij weten en begrijpen wat er in zijn eigen omgeving in Sri Lanka gebeurt en daarbij de relatie met zijn hobby duidelijk maken. Martien voegt daaraan toe: 'Dat is heemkunde.'

Bloedvlekken van tabaksblad
Martien besloot enige tijd geleden opnieuw zijn ervaringen als ontwikkelingswerker aan het papier toe te vertrouwen en onlangs verscheen een tweede boekje van zijn hand in de reeks Mensen met een missie, onder de titel De sidderende buffel. De waterbuffel is het symbool voor AziŽ en deze siddert door de vele veranderingen. Wie wil weten wat Martien allemaal meemaakte in Sri Lanka, moet vast en zeker dit fascinerende boekje lezen. Hij maakte het land mee in een uiterst woelige periode. Er woedde een burgeroorlog tussen Singalezen en Tamils en er waren allerlei gewelddadige conflicten van politieke aard. Toch noemt Martien de Srilankanen democratisch. Bij alles houden ze rekening met elkaar. Sri Lanke kent een echte overlegcultuur, waarbij het prestige van de persoon een heel grote rol speelt. Toch blijft Martien ten opzichte van Sri Lanka kritisch en geeft hij onverbloemd te kennen dat er heel wat schurken in Sri Lanka zitten. Bijzonder heftig zijn zijn ervaringen in Sri Lanka als tolk in dienst van het Rode Kruis. Martien heeft namelijk snel de taal geleerd en kan ook het schrift ('die bloemetjes') vrij goed lezen. In zijn boekje vertelt hij dat de cellen waarin de gevangenen werden ondervraagd vol zitten met bloedvlekken, maar relativerend voegt hij er meteen aan toe: 'Wel even opletten dat het geen uitgespuugde bulat is, een soort pruimtabak. Dat is wat bruiner en er zitten stukjes gedroogd gekauwd blad in.'

Bijtanken
Tijdens zijn vakanties in Nederland probeert Martien historisch zo veel mogelijk bij te tanken en de kopieŽn voor nieuw onderzoek en nieuwe literatuur over Brabant te bemachtigen. Zo kreeg hij dit keer het boek van GabriŽl van den Brink over Woensel in handen. Hij heeft het verslonden en voor hem is heel veel van de inhoud toepasbaar op het Sri Lanka van nu. Zoals Woensel toen, verkeert ook Sri Lanka in een overgangsproces van een traditionele naar een moderne samenleving. En zoals in Woensel verloopt dit proces ook daar niet altijd lineair en hebben verschillende aspecten hun eigen snelheid, waardoor conflicten en problemen ontstaan. Binnenkort gaat Martien weer terug naar Sri Lanka, samen met zijn vrouw en vier kinderen. Zijn ervaringen daar blijven hopelijk een inspiratiebron voor nieuw en origineel Brabants onderzoek.

43.
In 1997 scheidde het echtpaar.

44.
Vanaf 1997 werkte Martien eerst parttime en later fulltime bij 'Management voor Development Foundation' een trainings- en adviesburo voor ontwikkelingsprojecten. Eerst voor het bureau in Sri Lanka en vanaf 2003 in Ede (Nederland). Hij werkte vanaf 1997 voor MDF in Nederland, Sri Lanka, Japan, India, Bhutan, Vietnam, Zuid-Afrika, Laos, Tanzania, Pakistan en Afghanistan. Enige langdurige opdrachten vonden plaats in oorlogsgebieden in Sri Lanka en Afghanistan. Hij was in de periode 2001-2003 landenvertegenwoordiger voor Cordaid in Pakistan en Afghanistan.

45.
Brabants Dagblad 24-10-2001
'Natuurlijk willen we zo snel mogelijk zelf Afghanistan in'
Vanaf vandaag publiceert het Brabants Dagblad op woensdag de bijdrages van Martien van Asseldonk, hulpverlener in Pakistan en Afghanistan. In 'Aan de rand van de oorlog' verhaalt hij over persoonlijke ervaringen. We zoeken uit waar de mensen dood liggen te gaan. En daar proberen we hulp te bieden, zo snel mogelijk. Als ik het op die harde manier zeg, bedoel ik het ook letterlijk zo. Op vele plaatsen liggen mensen dood te gaan." Martien van Asseldonk (47) coŲrdineert voor Mensen in Nood en Memisa onder meer de hulpverlening in de kampen in Pakistan, waar honderdduizenden Afghaanse vluchtelingen bivakkeren. "Maar we proberen ook in Afghanistan zelf hulp te bieden", zegt hij door de telefoon vanuit Peshawar. Van Asseldonk, afkomstig uit Veghel, woonde en werkte eerder in Kenia en Sri Lanka. Over die periodes schreef hij drie boekjes: Dansen als het regent, Je hebt vuile nagels broer en De sidderende buffel. Voor zijn opdrachtgevers richt Van Asseldonk zich op de gezondheidszorg en verwante voorzieningen (latrines, drinkwater, dekens). In het grensgebied van Pakistan met Afghanistan verrijzen steeds meer nieuwe kampen. Van Asseldonk werkt samen met lokale organisaties. "Vanuit de Afghaanse stad Kandahar bijvoorbeeld zijn veel mensen gevlucht naar kampjes in het land zelf. Het lukt wel om ter plaatse in actie te komen, al willen de Taliban of andere bendes de boel nog wel eens plunderen. In de pakhuizen in Afghanistan ligt genoeg voedsel, het is vooral een probleem om dat bij de mensen te krijgen." "Natuurlijk willen we het liefst zo snel mogelijk zelf Afghanistan in", zegt Van Asseldonk. In dit stadium van de door Amerika aangevoerde 'oorlog tegen terreur' is dat evenwel onmogelijk.

46.
De Telegraaf, 24 november 2001
Verdreven Afghaan wil terug naar huis. Door: Anette Karimi
Amsterdam, zaterdag. Miljoenen gevluchte Afghanen wachten met spanning in het buitenland af of de vrede eindelijk terugkeert in hun vaderland. "De meeste Afghanen die ik ken, willen echt terug naar hun land", is de overtuiging van Martien van Asseldonk (47) uit Veghel. "Maar veiligheid en voedsel is een absolute voorwaarde voor hun terugkeer, na de verschrikkelijk droogte dit jaar en ruim twintig jaar burgeroorlog." De Nederlander werd vier maanden geleden voor de ontwikkelingsorganisatie Mensen in Nood/Memisa naar buurland Pakistan gezonden. Daar begon hij met het opzetten van hulpprogramma's voor gevluchte Afghanen in Peshawar. "In de Pakistaanse stad Peshawar zitten inmiddels zo'n 30.000 geregistreerde Afghanen die op de vlucht zijn geslagen voor de hongersnood en Amerikaanse bombardementen, plus ongeveer 100,000 illegalen", vertelt Van Asseldonk tijdens een kort verlof in Nederland. "In totaal zitten er ongeveer 2,5 miljoen gevluchte Afghanen in Pakistan. Sommige 'oudere' vluchtelingen zitten er al vanaf begin jaren tachtig toen de Russen hun land binnenvielen." Van Asseldonk had de opdracht zich te richten op structurele hulp. Maar de feiten haalden elke hulporganisatie in. Op 11 september werden de VS door aanslagen opgeschrikt; een paar weken erna begonnen de Amerikanen met hun bommencampagne op Afganistan en die in Pakistan werd gevreesd. Onmiddellijk moest worden overgestapt naar levensreddende noodhulp, en Van Asseldonk had binnen enkele weken programma's ter waarde van 10 miljoen gulden opgezet. "Daarvoor heb ik nog niet al het geld bij elkaar, maar voor de vluchtelingen in Afghanistan zijn we wel onmiddellijk begonnen met het verstrekken van voedsel, dekens en het opzetten van mobiele klinieken. Ook in Peshawar hebben we voor ondervoede en ouderloze kinderen en weduwen in de opvangkampen zo'n 17 voedingscentra en onderkomens gebouwd. Maar het zijn de ontheemden in Afghanistan die volgens Van Asseldonk het slechtst af zijn. "Velen van hen zitten in moeilijk bereikbare dorpjes met hun verwoeste oogsten, en opgegeten of verkochte veestapel zonder dat de buitenwereld daar iets van af weet. Ze krijgen het alleen nog maar slechter nu de zeer strenge Afghaanse winter aanbreekt", denkt de Nederlander. "Unicef heeft geschat dat er zo'n 100.000 kinderen van de honger en kou zullen sterven." De voedselkonvooien die vanuit Pakistan naar Afghanistan worden gezonden, proberen dit rampscenario te voorkomen. Van Asseldonk kan weliswaar op zijn eigen vrachtwagens geen toezicht houden, maar verzekert dat de
hulpgoederen goeddeels hun bestemming hebben bereikt. "Het vevoer gebeurt allemaal door lokale Afghanen want het is nog steeds te gevaarlijk voor buitenlanders. Wij moeten niet proberen zelf de held uit te gaan hangen, want dat heeft weinig zin." De Nederlander wijst daarbij op de vier journalisten die afgelopen week in Afghanistan omkwamen nadat zij in een hinderlaag van vermoedelijk een roversbende waren gelopen. "Wij sturen wel onafhankelijke Afghanen mee die verslag moeten uitbrengen over de aankomst van de goederen."

Trots
Van Asseldonk weet dat de Afghanen liever niet hun hand ophouden. "Dat is niks voor ze. Het is een erg trots volk. Ook vrijheid is voor hen heilig. Zelfs vluchtelingen die al lange tijd in Peshawar zitten, en een bestaantje wisten op te bouwen via handeltjes en winkeltjes, willen terug." Toch biedt het verscheurde en uitgedroogde Afghanistan een allesbehalve uitnodigend beeld. Hetzelfde geldt voor de eigen cultuur en de geschiedenis die bol staat van gewapende vetes tussen de vele Afghaanse clans en stammen. "Wel heb ik gemerkt dat vele Afghanen zich realiseren dat juist nu met de aandacht van het Westen, er een kans ligt uit de middeleeuwen te komen." De Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) zijn deze maand in Nederland een actie gestart voor de Afghanen op giro 555. Behalve Mensen in Nood/Memisa doen Artsen zonder Grenzen, Kerken in Aktie, het Nederlandse Rode Kruis, Novib, St. Vluchteling, Tear Fund, Terre des Hommes en Unicef Nederland daaraan mee. "Wij hebben tot nu toe 5 miljoen gulden opgehaald", meldt desgevraagd SHO-voorlichter Marjolein Hammink. Cruciaal worden de komende maanden waarin alle Afghaanse partijen proberen een interim-regering op te zetten. "Als dat lukt, zal er nog jaren toezicht van buitenaf nodig zijn voor de broodnodige rust en de terugkeer van vluchtelingen." Wat 'absoluut' geen maanden meer mag duren, is het herstel van irrigatiekanalen op de verdroogde akkers, en het verstrekken van zaaigoed aan boeren. "Zij moeten in december zaaien voor de oogst van volgend jaar." "Wrang genoeg is de enorme behoefte aan noodhulp er nu de oorzaak van dat er amper geld is voor deze minder flitsende vorm van hulp bij de ngo's. Maar het zijn juist de boeren die het volk moeten gaan voeden."

47.
Op 21 juni 2002 promoveerde Martien van Asseldonk aan de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg op het proefschrift De Meierij van ’s-Hertogenbosch. De evolutie van plaatselijk bestuur, bestuurlijke indeling en dorpsgrenzen ca. 1200-1832 (Tilburg, 2002). Een jaar later verscheen de handeleditie van het proefschrift:De Meierij ontrafeld. Plaatselijk bestuur, dorpsgrenzen en bestuurlijke indeling in de Meierij van ’s-Hertogenbosch (1200-1832) (Tilburg, 2003)

48.
Tekst van de Laudatio uitgesoroken tijdens de promotie door pof. dr. Arnoud-Jan Bijsterveld
Zeergeleerde doctor Van Asseldonk, beste Martien.
Eindelijk is het dan zover dat je hier als doctor Van Asseldonk staat. Het is ook voor mij een groot genoegen dat ik jou nu kan feliciteren met de verkregen titel en de werworven eer. Ik ben er trots op dat uitgerekend jij mijn eerste promovendus was en nu mijn eerste promotus bent. Mijn leerstoel is mede bedoeld om mensen als jij, serieuze onderzoekers zonder universitaire betrekking, de mogelijkheid te bieden een wetenschappelijk onderzoek af te ronden en daarop te promoveren. Het doet me dan ook deugd dat jij als amateur - in de positieve bekenis uiteraard - de eerste bent die bij mij en bij collega Hoppenbrouwers promoveert. Collega Hoppenbrouwers, beste Peter, ik wil je van ganser harte bedanken voor het wezenlijke aandeel in de begeleiding van Martiens proefschrift. Toen hij zich in 1999, kort na mijn benoeming, bij mij meldde met de vraag of hij bij mij kon promoveren, heb ik je gevraagd als co-promotor en je hebt meteen toegezegd. Na je eigen benoeming in Amsterdam ben je mede-promotor geworden en ook voor jouw is dit de eerste keer dat je als zodanig optreedt. Het was goed je kalme, onbevooroordeelde en deskundige oordeel naast dat van mij te kunnen zetten. Martien en jij zijn geboren op dezelfde dag, jij in Zundert en hij in Veghel: hoe merkwaardig kan het leven lopen dat de zo uiteenlopende levenspaden van tee Brabantse jongens, onder hetzelfde gesternte geboren, elkaar bijna een halve eeuw later kruisen in een gezamenlijk interesseterrein en bij deze plechtigheid.

Martien, onze kennismaking gaat terug tot de jaarwisseling van 1994-1995, toen ik in de Verenigde Staten verkeerde en van een bevriende collega uit Groningen, die bij jullie in Sri Lanka op bezoek was geweest, de suggestie kreeg om jouw 'boekje' over het graafschap Rode te bespreken. Via mijn Helmondse tante bemachtigde ik die publicatie in Helmonds Heem en vervolgens ontspon zich een intensieve briefwisseling tussen jouw in Negombo en mij in Princeton over het middeleeuwse Peelland, de graven van Rode en de Helmondse cijnzen. Een merkwaardiger internationale correspondentie is zelden gevoerd! De eerste brief die ik in mijn enkele ordners omvattende Van-Asseldonkarchief kon vinden, dateert van 7 maart 1995, waarin je de vraag stelt of je artikelen 'nog elders gepubliceerd zouden kunnen worden' want 'misschien is het jammer als het tot Helmonds Heem beperkt blijft'. Uiteindelijk leidde het contact niet tot een recensie, maar probeerde ik je in je gretige leergierigheid iets bij te brengen over het gebruik van bronnen en literatuur. Er kwam een stroom artikelen van jouw hand op gang in Helmonds Heem en uiteindelijk, in 1996, een mooi artikel over het graaschap Rode in Brabants Heem, waarmee je je entree in de wetenschap maakte. Datzelfde jaar promoveerde Karel Leenders, die vandaag als opponent deel uitmaakt van een geheel Brabantse promotiecommissie, en misschien bracht dat je op het idee om zelf ook te willen promoveren. Op 14 juli 1996 schreef je me je laatste brief voordat we overgingen op e-mail. Daarin noem je je onderzoek 'met alle tekortkomingen, nogal origineel' en je stelt me de vraag of het mogelijk zou zijn dat onderzoek 'op een wat professionelere manier' over te doen en uit te breiden 'tot een soort proefschrift'. Mijn reactie was - en je memoreert het in je 'Woord vooraf' - 'Ga eerst maar eens geschiedenis studeren'. Zoals je zelf schrijft: Noch jij, noch ik kon toen voorzien dat ik vandaag hoogleraar zou zijn en jij mijn eerste promovendus. Er was toen nog vanalles aan te merken op het niveau van je historische handwerk, het citeren van bronnen en literatuur, het opzetten van een historisch betoog en je manier van discussiŽren met levende en overleden collega's. Maar je liet je niet van je plan afbrengen - terecht, zoals vandaag is gebleken. Je promotieonderzoek begon eind 1997 als een uit de hand gelopen hobby, dreigde een therapeutische onderneming te worden toen het je in je privťleven niet goed verging en groeide ten slotte uit tot wat een goed promotieonderzoek moet zijn: een serieuze poging om een relevante bijdrage te leveren aan het wetenschappelijk onderzoek. Je eerste teksten waren bijna hermetisch dichtgetimmerde redeneringen die jouw gelijk tegenover de wetenschappelijke wereld moesten bewijzen. Dat leidde tot heftige discussies via e-mail met mij en vele anderen. Gaandeweg leerde je ook de waarde van het 'open-einde-verhaal' inzien, van historische reconstructies met een hoge waarschijnlijkheidswaarde maar waarvan de absolute waarheid niet vaststaat en ook niet hoeft vast te staan.

Je bent een echte autodidact en je leerde razendsnel dankzij - en ik bedoel dat positief - je boerenslimheid, je opmerkelijke wetenschappelijke intuÔtie, je snelheid van informatie verwerken en niet te vergeten je ruim twintg jaar ervaring in lokale gemeenschappen in de Derde Wereld, in Kenia en Sri Lanka en laatselijk in Pakistan en Afghanistan, waar je het cruciale belang van informele organisatiestructuren en bestuurlijke arrangementen leerde zien en begrijpen. Met een fenomenaal doorzettingsvermogen en een ijver die we eerder moesten afremmen dan stimuleren, heb je je binnen de kortste keren ontwikkeld tot een bijzonder waardevol onderzoeker, die bovendien een project heeft durven oppakken waaraan geen enkele professional zich zou wagen. Jij hebt die enorme klus op bewonderingswaardige wijze geklaard. Want jij behoort tot het slag onderzoekers dat als ongelooflijke doorzetters kan worden gekwalificeerd. In jouw geval zou ik zelfs willen spreken van 'doordouwer'. Toen je op die voor jouw soms heel lastige weg met veel tussenstappen ten slotte de juiste vraagstelling, struktuur en wetenschappelijke werkwijze had bereikt, was de klus snel geklaard. Het liefst was je de dag erna gepromoveerd en je toch al niet grote geduld werd danig op de proef gesteld toen er nog driekwart jaar nodig bleek te zijn voor de procedure, de drukproeven (die deels naar Peshawar en Kabul gestuurd en ge-emailed moesten worden) en allerlei technische en financiŽle problemen die nu eenmaal ook onderdeel uitmaken van een promotietrajekt. Je had veel en weinig begeleiding nodig. Veel, omdat je collega Hoppenbrouwers en mij bleef bestoken met scheepsladingen papier - aanvankelijk in van die groezelige Sri Lankese, vol gepostzegelde enveloppen, die bij eerste aanraking uit elkaar vielen - maar naarmate de techniek vorderde, rolden e-mails, diskettes, zipdisks en attachements met weer nieuwe ideeŽn en weer nieuwe versies over elkaar heen. Het was soms niet bij te houden! Weinig begeleiding had je nodig omdat je ons maar in beperkte mate nodig had bij de ontwikkeling van je ideeŽn. In een indrukwekkend tempo rijpten je gedachten en conclusies, en vorderde ook je historische handvaardigheid waarmee je de bronnen te lijf ging. Je onderzoek van de oudste hertogelijke cijnsregisters van de Meierij uit 1340 en de schoutsrekeningen was achteraf gezien een keerpunt. Opnieuw in no-time transcribeerde en analyseerde je die omvangrijke bron, waardoor je niet alleen enorm groeide in het historische ambacht, maar ook met nieuwe ideeŽn kwam die fundamenteel bleken voor je proefschrift.

Door je genealogisch onderzoek naar je Zijtaartse familie stelde je je de vraag naar de ouderdom em het ontstaan van grenzen tussen gehuchten, gemeenschappen, parochies en juridische dorpen in en rond Veghel. Je deed een aantal case-studies, waarvan ik hier de casus Eerde noem, en kwam erachter dat in deze complexe materie aan fiscale afbakeningen ten onrechte te weinig aandacht was besteed. Vooral rechtshistorici hebben zich met deze materie beziggehouden en die hadden weinig oog voor andere dan juridische indelingen. Anderen veronderstelden een veel te rechtlijnige ontwikkeling van bijvoorbeels parochiegrenzen tot dorps- en gemeentegrenzen. Je studie van de hertogelijke en heerlijke cijnsinning in de kwartieren Peelland en Kempenland vanaf de dertiende eeuw liet zien dat die een leidraad kon zijn bij de reconstructie van oudere bestuurlijke en administratieve indelingen. In dit proefschrift heb je vervolgens je onderzoeksgebied uitgebreid tot de Meierij van 's-Hertogenbosch. Deze kende in haar geschiedenis verschillende gebieden of 'ressorten' van rechtspraak, bestuur, belastingen, gemene gronden, kerk en polders, met vaak eigen grenzen. Uit verspreide bronnen en stapels lokale en regionale studies werden duizenden kopieŽn gemaakt en meegenomen, die, zo stel ik me voor, onder de veranda van je huis in Sri Lanka geduldig werden bestudeerd, maar ook wel eens terwijl de kogels van de Tamil Tijgers om je onderkomen floten. Zo ben je het ontstaan en de ontwikkeling nagegaan van lokale en regionale bestuurlijke structuren in het langetermijnperspectief van late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, vanaf circa 1200 tot 1832. Als eerste heb je het aangedurfd een dergelijk lang diachronisch perspectief te hanteren. Het is een van de grote verdiensten van je proefschrift geworden, want zodoende kwam je op het spoor van ontwikkelingen die door eerdere onderzoekers, die ofwel de Middeleeuwen, ofwel de Nieuwe Tijd bestudeerden, niet opgemerkt zijn. De tweede grote verdienste is dat je in je proefschrift de dorpen centraal stelt, terwijl het meeste onderzoek zich heeft gericht op stedelijke geschiedenis. Jij richt de focus op het dorp - terecht, want de Meierij is een echt dorpenlandschap, met buiten 's-Hertogenbosch wel enkele vrijheden maar geen echte steden. Ik vat je conclusies nog eens samen: de oudste bestuurlijke indeling kwam overeen met de rechterlijke indeling in schepenbanken, die vooral door de hertog van Brabant en de plaatselijke heren werden ingesteld. Die indeling wordt in je boek gereconstrueerd voor nagenoeg de hele Meierij in de late Middeleeuwen. Zo reconstrueerde je de juridische en administratieve indeling en organisatie van het graafschap Sint-Oedenrode, het Land van Helmond en de eninge en het leenhof van de Kempen. Voor de juridische emancipatie van de dorpen was het bestuur van de gemeinten of gemene gronden, zoals die vanaf 1300 door de hertog en de heren aan lokale gemeenschappen werden verleend, van groot belang. De eerste dorpsbesturen - met een sterk ad-hoc karakter - kwamen voort uit de dorpsvergaderingen, die ook de keuren of dorpsreglementen vaststelden. Pas rond 1600 werden de bevoegdheden van deze dorpsvergaderingen overgedragen aan
regentencolleges met schepenen. Vanaf de zestiende eeuw leidden de fiscale en financiŽle problemen van de dorpen tot nieuwe bestuurlijke ressorten: niet alleen mochten de dorpen vanaf 1438 zelf bepalen hoe ze de belasting aan de hertog over de inwoners verdeelden, ook leidden de vele oorlogen in de vijftiende en zestiende eeuw ertoe dat dorpen schulden kregen. Dat dwong de dorpen en gehuchten tot een interne organisatie om de belastingen en schulden te betalen. Het boek mondt ten slotte uit in een analyse van de ontwikkeling van dorps- en gemeentegrenzen en de conclusie dat de dorpsgrenzen geen eenduidige ontwikkeling kenden: hoewel vaak is aangenomen dat deze zijn afgeleid van de grenzen van parochie of rechtsdistrict, blijkt dat ze in de Meierij veelal zijn afgeleid van een gemeint en in mindere mate van de grenzen van een heerlijkheid of andere grenzen. Grenzen werden pas afgepaald wanneer men concrete belangen wenste af te bakenen en zijn soms veel jonger dan wordt aangenomen. Zoals door een van de leden van de promotiecommissie is opgemerkt, is deze dissertatie de eerste wetenschappelijke bronnenstudie naar de plaatselijke instellingen en
bestuursorganen op het platteland van het hertogdom Brabant op een dergelijke chronologische en geografische schaal.

Beste Martien, ik heb in deze laudatio misschien wat meer dan gebruikelijk is de nadruk gelegd op de persoonlijke aspecten van je promotieonderzoek. Ik doe dat omdat ik weet hoeveel het voor jou persoonlijk betekent dat je vandaag promoveert tot doctor. De vele dagen en nachten in je eentje op vaak afgelegen plekken onderzoek doen in gekopieerde bronnen en literatuur, het steeds weer opnieuw op de p.c. zetten van je opvattingen, dat alles heb je vooral gedaan voor je kinderen, aan wie je je proefschrift hebt opgedragen, maar ook voor jezelf, om een stuk eergevoel en trots te herwinnen dat je door de wisselvalligheden van het leven was kwijtgeraakt. Ook al heb je wel eens badinerend gesproken over deze plechtigheid, ze dient vooral om jou de eer te geven die je toekomt. Ze is de afronding van ruim vier jaar keihard ploeteren. Je bent alweer bezig met het indikken van dit vuistdikke proefschrift tot een hanteerbare handelseditie. Maar de eenzaamheid van het onderzoek moet maar eens voorbij zijn: het is tijd voor feest en genieten tussen de mensen die je het liefst zijn, je kinderen Marieke, Sander, Elles en Marleen - die ik bij deze ook van harte feliciteer - en je verdere familieleden, die ik eveneens gelukwens en die alle reden hebben trots te zijn op hun zeergeleerde Martien alias Ties alias Tinus.

49.
Brabants Dagblad 20 juni 2003, door: Twan van den Brand
Martien van Asseldonk voor promotie aan KUB even terug uit Afghanistan. Ellende als motor van de vooruitgang. Werken tussen de ruÔnes van Kabul en Kandahar en tussendoor zonder wetenschappelijke opleiding promoveren in Tilburg op de ontwikkeling van het plaatselijk bestuur in Brabant tussen 1200 en 1832. Martien van Asseldonk combineert avontuur en archiefwerk. Hij wiedt het onkruid, want morgen behoort fatsoenlijk feest te worden gevierd. Martien van Asseldonk avonturiert al vele maanden tussen kapotgeschoten gebouwen en een gekwetste bevolking in Afghanistan en doet daarvan wekelijks verslag in de bijdrage 'Aan de rand van de oorlog'. Nu is Van Asseldonk (47) even terug. Want morgen promoveert hij aan de Katholieke Universiteit Brabant. Niet op een onderwerp dat verwant is met Afghanistan, niet met Sri Lanka of Kenia, landen waar hij eerder werkte. Zijn proefschrift handelt over de ontwikkeling van het plaatselijk bestuur tussen 1200 en 1832 in oostelijk Brabant. "De overeenkomst is groter dan je denkt", zegt Van Asseldonk. "Het heeft allerlei te maken met andere culturen, het is allebei buiten het hier en nu. Bovendien, als ik de 16de eeuwse verslagen lees over de verwoestingen op het platteland rond Den Bosch in een van de Gelrese oorlogen, en hoe de mensen daarop naar de stad trokken, dan dagen beelden, die ik in Afghanistan ook zie". Van Asseldonk haalt morgen zonder een wetenschappelijke vooropleiding zijn doctorstitel. Dat gebeurt wel vaker, zegt een woordvoerder van de Nederlandse universiteiten VSNU, zij het niet zo vaak. "Zo'n tien keer per jaar."

Jekschot
Hij is, zegt Martien van Asseldonk, van jongs af aan geboeid geweest door geschiedenis. Dat kreeg een nieuwe dimensie toen hij bij onderzoek naar zijn eigen herkomst stuitte op ondermeer (de archieven van) de Heerlijkheid Jekschot, tussen Zijtaart en Mariahout. 'Vanuit' Jekschot denderde de trein voort. Van Asseldonk nam 20 kilo aan archiefmateriaal mee om vanuit Sri Lanka de cijnzen en gemeentegrenzen in historisch Brabant te bestuderen. "Het innen van de grondbelasting is in de twaalfde eeuw begonnen. Als je weet wie de belasting int, weet je ook wie de baas is. Dan wordt het interessant. En als je er achter komt wanneer welk perceel aan een boer is verkocht, kun je de kaart van bijvoorbeeld Veghel reconstrueren." Van Asseldonk ontdekte dat niet de welvaart, maar de ellende de belangrijkste motor voor de vooruitgang is geweest op het Brabantse platteland. Daar heeft de wetenschap wel eens anders over bericht, weet hij. "In de steden ligt dat inderdaad anders, en in het verleden zijn de conclusies uit de steden te klakkeloos geprojecteerd op de dorpen." Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen de landeigenaren en de horige boeren. Die was lang niet altijd zo slecht als in het verleden beschreven. Van Asseldonk: "Ze hadden gezamenlijke belangen." De allereerste stelling, die aan zijn proefschrift is gekoppeld luidt dan ook: "Conflicten tussen gehuchten en dorpen waren frequenter en meer typerend voor de geschiedenis van de Meierij van 's-Hertogenbosch dan 'klassenstrijd' (..)".

Marx
De afgelopen maanden in Afghanistan heeft Van Asseldonk nog slechts punten en komma's hoeven te plaatsen. Eerder is het eigenlijke werk gedaan. Het onderzoek beŽindigde hij een jaar geleden, een maand voor de 11e september. "Ik had wel periodes dat ik volledig met het onderzoek kon bezig zijn. Dat moet ook wel. Achttien uur per dag. Ik sliep in met vragen en werd wakker met antwoorden. De rest van de wereld bestond dan niet." Maar soms was het moeilijk om het werk aan historisch Brabant en dat op vreemde bodem te concentreren. Hij herinnert zich een vergadering in Sri Lanka over leningen aan vrouwengroepen. Het was een langdurige discussie tussen aanhangers van Marx en die van het kapitaal. Van Asseldonkse gedachten, nog in de ontkiemingsfase, dreven onderwijl weg naar de uitgifte van Brabantse heidegronden tussen 1250 en 1314. Van Asseldonk is in dienst van de Management for Development Foundation (MDF) en geeft trainingen aan managers die actief zijn in de ontwikkelingshulp. Voor het opzetten van de hulpverlening in Afghanistan heeft zijn werkgever hem uitgeleend aan Caritas Nederland (onder meer Mensen in Nood en Memisa). Vanuit die positie gťťft hij aan andere mensen. Het promoveren was echter 'in de eerste plaats voor mezelf'. "Het was een therapie. Andere mensen gaan na een scheiding aan de drank. Ik wilde promoveren", zegt Van Asseldonk. Eerder noemde hij het werk in verre landen en het schrijven over vervlogen tijden 'escapisme', een drang te ontvluchten. "Maar waarvoor, tsja dat weet ik nog steeds niet." En hij verhaalt over de houtmand voor de haard in de ouderlijke boerderij, waarin hij zich als jongen opvouwde, boeken las en in gedachten verkeerde. "Ik droomde toen al dat ik ver weg was."

50.
Persbericht van de Katholieke Universiteit Tilburg
Promotie ing. Martien van Asseldonk
Martien van Asseldonk spit graag in de archieven van de Meierij van 's-Hertogenbosch. Dit leidde tot een proefschrift dat de ontwikkeling van het dorpsbestuur in Brabant vanaf de late Middeleeuwen beschrijft: van dorpsvergadering, via regentencollege tot gekozen gemeentebestuur. FinanciŽle factoren blijken belangrijker voor gemeentevorming dan juridische of kerkelijke afbakeningen; de dorpsgrenzen in de Meierij blijken opvallend jong. In 1262 worden in de Meierijse bronnen voor de eerste maal dorpen genoemd. Het waren toen plaatsen waar mensen samenwoonden die niet langer tot het overdraagbare of verhandelbare bezit van een heer behoorden. Zeshonderd jaar later was de streek ingedeeld in tientallen gemeenten met een gekozen bestuur, een gemeentekas, rechtspraak en vastgelegde grenzen. Martien van Asseldonk bestudeerde deze ontwikkeling van gehucht tot Noord-Brabantse gemeente. Hij promoveert op vrijdag 21 juni in Tilburg op zijn proefschrift 'De Meierij van 's-Hertogenbosch'. Historici maken veelal gebruik van 'stedelijke' bronnen. Van Asseldonk concludeert mede op basis van de schoutsrekeningen dat dorpen in de late middeleeuwen zich op een eigen wijze ontwikkelden. Hij stelt daarmee het beeld van rebelse boerengemeenschappen bij. De eerste rechtspraak -de openbare dingbank- werd veelal ingesteld door de hertog van Brabant, waarbij de belangen van de plaatselijke heren waarder wogen dan die van de 'gewone man'. De eerste dorpsbesturen komen voort uit dorpsvergaderingen die ook de keuren -de dorpsregels- vaststellen. Dit bestuur heeft een ad-hoc karakter. Pas rond 1600 worden de bevoegdheden overgedragen aan een regentencollege met schepenen. Belastingheffing speelt een belangrijke rol in de dorpsvorming. Vanaf 1438 mogen dorpen zelf bepalen hoe ze de belasting over de inwoners verdelen; en de vele oorlogen in de vijftiende en zestiende eeuw leidden tot gemeenschappelijke schulden en rentebetalingen en dwingen de dorpen tot interne organisatie. Veel gemeentegrenzen blijken jonger dan gedacht. Tot de instelling van het kadaster in 1832 gingen inwoners en plaatselijke overheid alleen over tot het stellen van grenzen als er belangen in het geding waren. Die grenzen liepen dan eerder langs gemeenschappelijke bezittingen en rechtsgebieden dan langs parochiegrenzen, zoals eerder is geopperd. Van Asseldonk reconstrueert in zijn proefschrift de evolutie van enkele historische Noord-Brabantse regio's zoals het graafschap Sint-Oedenrode, het Land van Helmond en de eninge van de Kempen. Ing. Martien van Asseldonk (1954) is elektrotechnicus. Sinds 1981 werkt hij als projectmanager van ontwikkelingsprojecten. Hij is ook consultant en management trainer in ontwikkelingshulp. Sinds midden jaren tachtig publiceert hij over de Noord-Brabantse geschiedenis. De promotieplechtigheid vindt plaats op vrijdag 21 juni om 14.15 uur in de aula van de Katholieke Universiteit Brabant. Promotores zijn prof. dr. A.J.A. Bijsterveld en prof.dr. P.C.M. Hoppenbrouwers. Het proefschrift is getiteld 'De Meierij van 's-Hertogenbosch. De evolutie van plaatselijk bestuur, bestuurlijke indeling en dorpsgrenzen, circa 1200-1832.' In 2003 verschijnt er tevens een handelseditie bij het Zuidelijk historisch Contact. Voor vertegenwoordigers van de media is een exemplaar beschikbaar bij de
afdeling Voorlichting en Externe betrekkingen van de KUB 013-4662000. Martien van Asseldonk is vanaf 16 juni bereikbaar via tel: 0413 369 986, e-mail: mmpvanasseldonk@hotmail.com.

51.
Univers, 20 juni 2002 Stijn Dunk
Brabantfanaat tussen de Tamil Tijgers. Door: Stijn Dunk
Een wereld van verschil. Zo kun je de twee passies van promovendus Martien van Asseldonk gerust typeren. Zijn baan als ontwikkelingswerker brengt hem naar de actuele brandhaarden van de wereld. Zijn hobby als amateurhistoricus voert de Veghelnaar terug naar het Brabant zoals dat er eeuwen geleden uitzag. Schizofreen of juist niet? Martien Van Asseldonk (47) heeft de woonkamer van zijn Veghelse doorzonwoning ingericht zoals het een ontwikkelingswerker betaamt. Vol met souvenirs of sjieker gezegd relicten uit de landen die hij voor zijn werk bezocht. Een kleine greep: aan het plafond een visfuik uit Kenia. Als bankstel fungeert een divan in koloniale stijl uit Sri Lanka. En in de hoek van de kamer pronkt een Afrikaanse uit hout gesneden pop met sterk negroÔde inslag, zoals dat in het politiek correcte taalgebruik van sommige kosmopolieten heet. Van Asseldonk zelf uit zich allesbehalve in politiek correcte termen. Schroomt niet om stevige taal te gebruiken. Toont weinig eerbied voor de heilige huisjes van het ontwikkelingswerk of  voor de mores van het wetenschappelijke establishment. Het kan hem 'geen lor schelen' dat hij tijdens de promotieplechtigheid als eenvoudige amateurhistoricus tegenover een hele rits hooggeleerde professoren in de geschiedenis staat. Laat ze maar komen. Trainingen waarin ontwikkelingswerkers de broodnodige Westerse efficiency wordt bijgebracht? "Die deugen van geen kant. Geen respect voor de plaatselijke zeden en gewoonten." Zeden, gewoonten en mechanismen die hem doen denken aan zijn eigen jeugd in het Oost-Brabant van de jaren zeventig. Als 'boerke' uit het kerkdorp Zijtaart ging hij naar de mulo in Veghel en later naar de mts en hts in Den Bosch. De 'grote stad' maakte indruk op de jonge Van Asseldonk, die begon te twijfelen aan zijn dorpse identiteit. In de krottenwijken van Nairobi waar hij in 1980 arriveerde als ontwikkelingswerker, bleken de Kenianen die van het platteland kwamen een vergelijkbare worsteling door te maken. Van Asseldonk: "Velen liepen er verloren bij. Ze zeiden nooit dat ze in Nairobi woonden, altijd verwezen ze eerst naar hun geboortedorp. Ze pasten zich aan als het nodig was, maar gooiden hun verleden niet overboord. Alsof er een knop in hun hoofd zat met twee verschillende standen." Van Asseldonk doet het steeds opnieuw: eerder de paralellen dan de verschillen zien tussen Nederland en Kenia, Het rijke Westen en de Derde Wereld, het heden en het verleden. Op die manier relativeert hij de op het eerste gezicht scherpe tegenstelling tussen twee belangrijke passies: zijn baan als leidinggevend hulpverlener in de brandhaarden van de internationale actualiteit en zijn monnikenwerk in de luwte van de Brabantse streekgeschiedenis, een uit de hand gelopen hobby waarop hij morgen in Tilburg hoopt te promoveren. Om nog zo'n treffende overeenkomst te noemen: lokale gemeenschappen die transformeren van traditioneel naar modern organiseren zich vaak naar aanleiding van gedeelde ellende in plaats van op basis van allerlei mooie plannen. Oorlogen in de zestiende eeuw dwongen de Brabantse dorpen tot het instellen van permanente dorpskassen om effectiever de schulden af te lossen die door het geweld waren ontstaan. Ook in de Derde Wereld is gedeelde smart een belangrijke drijfveer voor meer formele samenwerking, weet Van Asseldonk. De vele gelijkenissen ten spijt, Martien Van Asseldonk is realist genoeg om in te zien dat er weinig activiteiten verder uit elkaar liggen dan de twee die hem, met liefde dat wel, de beste jaren van zijn leven hebben gekost. Surrealistische voorbeelden en anekdoten genoeg. Als hij eind jaren negentig in Sri Lanka zijn mail opent, staan mailberichten over de burgeroorlog op het eiland tussen mailtjes over zijn proefschrift. Het ene moment leest Van Asseldonk dat zijn bezoek aan het door de rebellen van de Tamil Tijgers gecontroleerde Noorden van Sri Lanka
veilig genoeg zal zijn. Seconden later is hij oprecht verontwaardigd als uit het volgende mailtje blijkt dat een Nederlandse collega-onderzoeker een akte van het dorp Oirschot uit het jaar 1688 anders interpreteert dan hijzelf. En mailt de volgende dag zijn repliek. Ook geen ervaringsfeit van de gemiddelde promovendus: telefonisch overleg met je Tilburgse promotor onder begeleiding van heftig mortiervuur tussen de Sri Lankaanse zandzakken. Of: tien Pakistanen in de grensstad Pocher die handmatig 150 exemplaren vouwen van de aldaar gedrukte samenvatting van een oer-Hollands proefschrift terwijl ze op de grond zitten van de verder overigens zeer moderne drukkerij. Hetzelfde Pakistan waar men nu enorm bang is voor een oorlog met India, zodat de Afghaanse vluchtelingen aan de grens weer naar hun eigen land terug vluchten. In een column die hij onlangs schreef voor het Brabants Dagblad schetst Van
Asseldonk in apocalyptische stijl het dreigende atoombomscenario: 'Steden die verdampen. Miljoenen mensen op de vlucht. Onbeschrijflijk lijden.' Als je dat allemaal meemaakt, moet je dan zelf ook niet een knop in je hoofd omdraaien om je slechts tien dagen later op te laden voor de verdediging van je proefschrift over dorpsgrenzen en bestuur in de vroegmoderne Meierij van 's Hertogenbosch in de aula van de KUB? "Ja, ik heb zelf inmiddels ook zo'n knop", erkent Van Asseldonk. "Als je zo'n nomadenbestaan leidt als ik, ben je gedwongen om steeds sneller om te schakelen. Ik ben het afgelopen jaar dertig keer de grens overgegaan van in totaal acht landen. Dan heb je zelfs geen tijd voor een jet lag. Binnen een dag zit ik er weer middenin, of het nou Kabul is of Colombo." Een schizofreen van beroep, zou je kunnen zeggen. Maar dat klinkt ziekelijker dan het al die tijd gevoeld heeft. Want Van Asseldonk geniet van de stress, van de drukte, het avontuur en de vele variatie. En als je op die lange, warme en
donkere avonden in de tropen niks om handen hebt, kan het heel rustgevend zijn om lekker te puzzelen met kopieŽn van historische kaarten en belastingregisters. Om even niet bezig te zijn met die emotioneel belastende mensenpuzzel die je overdag voor je kiezen krijgt. Gespletenheid als manier van overleven. Maar Martien Van Asseldonk zou Martien van Asseldonk niet zijn als hij niet zou besluiten met een overpeinzing waarin er wederom een brug wordt geslagen. "Misschien zijn mijn werk en mijn hobby wel allebei een vlucht voor het leven van hier en nu in Nederland. Een vlucht voor de alledaagse saaiheid die snel zou toeslaan als ik daadwerkelijk zou toegeven aan mijn jeugddroom: een huisje in mijn geboortedorp, actief in het verenigingsleven en een functie in het lokaal bestuur. Ik zou het er geen week uithouden, vrees ik."

52.
Noordbrabants Historisch Nieuwsblad, 16 (2002) nr. 2, 23
Eerste promotie
Op 21 juni jongstleden vond de eerste promotie plaats bij de huidige hoogleraar, die als promotor optrad met prof. de. Peter Hoppenbrouwers, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Dr. Martien van Asseldonk (1954) verdedigde toen zijnproefschrift De Meierij van 's-Hertogenbosch. De evolutie van plaatselijk bestuur, bestuurlijke indeling en dorpsgrenzen, circa 1200-1832. Hij deed dat voor een geheel Brabantse promotiecommissie die, naast de beide promotoren, bestond uit prof. de. Raymond van Uytven, dr. Karel Leenders, mw. Trix van Erp-Jacobs en prof. dr. Pieter Tops. Zoals een van de leden van de promotiecommissie is opgemerkt, is deze dissertatie de eerste wetenschappelijke bronnenstudie naar de plaatselijke instellingen en bestuursorganen op het platteland van het hertogdom Brabant op een dergelijke chronologische en geografische schaal. In de regionale pers was er vooral aandacht voor het feit dat de promovendus geen wetenschappelijke vooropleiding heeft genoten en als manager en cursusleider werkzaam is op brandhaarden in de Derde Wereld. Sinds het jaar 2001 verzorgt hij in het Brabants Dagblad een wekelijkse column over zijn ervaringen in Pakistan en Afghanistan. Een handelseditie van zijn proefschrift is voorzien voor eind 2003.

53.
In maart 2003 richtte hij de Stichting Studiefonds Afghanistan op. In april 2003 werd een kantoor in Kabul (Afghanistan) gestart. De Stichting heeft als doelstelling het geven van studiebeurzen aan arme studenten en het organiseren van cursussen voor arme jongens en meisjes in Kabul (Afghanistan).

54.
Stadskrant Veghel, 15 mei 2003
In gesprek met ... Martien van Asseldonk. Door: Ted Gijsel
Veghel - Veghelaar Martien van Asseldonk is sinds augustus 2001 als hulpverlener van Stichting Mensen in Nood en Memisa werkzaam in Peshawar in Afghanistan. Wat aanvankelijk een missie van een paar maanden had moeten worden, is door de 11-september-aanslagen in Amerika een verhaal zonder einde geworden. Inmiddels runt hij drie kantoren met een omzet van tien miljoen Euro en geeft hij leiding aan dertig andere ontwikkelingswerkers. Voor even is Van Asseldonk terug in Veghel, en voor Stadskrant Veghel vertelt hij zijn verhaal.

Wat was de reden dat je naar Afghanistan ging?
"Al sinds 1980 ben ik in diverse landen als hulpverlener aktief geweest. Ik ben geŽngageerd door maatschappelijk welzijn, denk ik. In eerste instantie werd ik in Pakistan geÔnstalleerd, om daar hulp te bieden aan Afghanen die vanwege de droogte hun land ontvluchtten. In september 2001, kort na de aanslagen, kwam een enorme vluchtelingenstroom uit Afghanistan in beweging. Ik was een van de eerste hulpverleners ter plaatse en omdat Mensen in Nood vond dat de hulpverlening goed ging, ben ik doorgegaan."

Wat doe je precies?
"Waar nodig verlenen we primaire hulp, zoals het uitdelen van voedsel, dekens ene richten we mobiele medische posten in. Maar langzamerhand is het accent verschoven naar structurele hulp: agrarische plannen opzetten, vegetatiekanalen herstellen, boeren leren hoe ze kippen en konijnen kunnen houden. De meesten zijn namelijk 80 % van hun schapen en kamelen kwijtgeraakt door de oorlog in Afghanistan. En dat was voor 100 % hun levensvoorziening. Ook leren we ze nieuwe ambachten zoals metselen of timmeren."

Dat moet dankbaar werk zijn.
"We hebben al veel mensen kunnen helpen, misschien wel honderdduizenden, maar we hebben te maken met veel tegenstand. De Taliban is zich namelijk weer steeds nadrukkelijker aan het manifesteren. In de bergen zijn al trainingskampen ingericht. Een echt regime ontbreekt in Afghanistan, de regering heeft nauwelijks macht. Individuele krijgsheren maken de dienst uit. Zij bepalen wat er de grens overgaat en steken bijna alle inkomsten in eigen zak. Belasting bestaat niet meer. Hun doel is de bevolking opzetten tegen de regering, zodat ze zelf meer macht krijgen. Dat gaat vaak heel ver."

Waar moeten we dan aan denken?
Vorige week is een Afghaanse hulpverlener doodgeschoten. Hij reed samen met een andere hulpverlener in een auto en werd gedwongen te stoppen. 'Waar zijn jullie Amerikaanse vrienden?', vroegen de bewapende Talibani. Toen ze vertelden dat ze allebei Afghaanse hulpverleners waren, deden de mannen twee stappen achteruit en openden het vuur. De bestuurder was meteen dood, de ander heeft zich kunnen redden door op het been van de bestuurder te duwen en zo gas te geven. Met zijn andere hand bestuurde hij de auto totdat hij in veiligheid was."

En de Afghaanse regering kan niet ingrijpoen?
"De regering wordt weliswaar terzijde gestaan door het Amerikaanse leger, maar het enige dat zij doen is zoeken naar leden van het Al-Qaeda-netwerk. Hoe het met de bevolking gaat kan ze niets schelen. Er was ons twee biljoen aan ontwikkelingsgeld beloofd, maar daar hebben we nog niet eens 10 % van gekregen. Militair advideur van Bush, Rumsfeld, spreekt zelfs over het terugtrekken van de Amerikaanse militairen omdat de situatie verbetert. Zij zijn niet geÔnteresseerd in de opbouw van het land."

Dus dat gaat eigenlijk niet helemaal goed.
Als ik naar de situatie in het jaar 2002 kijk, is dat een verloren jaar geweest in de wederopbouw van Afghanistan. Er is niet veel verbeterd. Het land zal nog lange tijd doorsukkelen en misschien ontaardt dat wel in een burgeroorlog. Da is precies wat de Taliban wil: opstand tegen de regering, zodat zijzelf hun macht houden en uitbreiden."

Is jouw werk dan niet 'dweilen met de kraan open'?
"Elke mens die we kunnen helpen is er ťťn. We hebben al veel meer gedaan dan waarvoor we kwamen, misschien wel het tienvoudige. Samen met de overheid stippelen we beleid uit en leiden we mensen op om zelf hulppogramma's te blijven onderhouden. Maar ook wij kunnen niet altijd veel doen. Veel gebieden zijn voor niet-Afghanen levensgevaarlijk en daar wagen we ons dan ook niet. Doen we dat wel, dan worden we door mensen in Nood gewoon ontslagen. Ook ik sta niet toe dat mijn mensen zomaar het veld ingaan. De plaatselijke hulpverleners, dŠt zijn de ware helden."

Leg dat eens uit.
Ik sprak een Afghaanse hulpverlener. 'Als de kans dat we niet overvallen worden 20 % is, dan ga ik,' zei hij. Het risico dat Talibani hulpgoederen inpikken is levensgroot. Ik vroeg hem war zijn vrouw en familie daarvan denkt. 'Die vertel ik dat niet', was het antwoord. Het risico dat men wordt overvallen en zelfs wordt vermoord, is voor ons te groot, maar voor veel Afghanen is hulpverlenen het enige overgebleven doel in het leven. De rest is kapot."

Vertel eens over de mooie dingen die je hebt meegemaakt.
"Elke vrachtwagen die hulpgoederen komt brengen is een mooi moment, net als ieder 'wandelend skelet' dat we eten kunnen geven. We hebben ontzettend veel mensen gered. En ik zie mijzelf niet als president. Het is niet aan mij om het land op te bouwen; we doen wat we kunnen, hebben veel mensen weer op eigen benen leren staan en we hebben politiek en economisch veel bereikt."

Wanneer ga je weer terug?
"Eind van de maand. Ik werk er nog tot juli, dan neemt een opvolger van Mensen in Nood het over. Er stŠŠt al veel. De meeste hulpprogramma's functioneren goed en hoeven alleen onderhouden te worden. Ik blik heel tevreden terug op de afgelopen tijd."

55.
Brabants Dagblad, 13 september 2003 Door: Twan van den Brand
Afscheid (honderdste en laatste column door Martien van Asseldonk)
Na twee jaar zit mijn baan in Afghanistan er op. Nog niet zo lang geleden arriveerde ik hier als een vreemdeling en nu begint mijn bediende Shabir te huilen bij het afscheid. Snotter niet zo. Ben blij dat je niet meer hoeft te zeuren: “Martien, zou je je nagels niet eens knippen”, en: “met dit smerige shirt kun je echt niet naar kantoor.” Hij zegt: “Als ik later baas ben, wil ik net zo zijn als jij. Een vriendelijk woord voor ook het laagste personeel.” Zucht. Zie je mijn tekorten niet? Ik was er te weinig voor mijn kinderen in Nederland en als ik in Nederland was, gaf ik geen leiding aan het personeel in Kabul. Mijn tijd hier zit erop. Ik zal de stoffige boekwinkel missen, waar ik altijd thee kreeg. Ik zal de bewaker van ons kantoor missen die me altijd met zijn zaklamp vergezelde door de donkere straat naar mijn huis. Ik zal de kebabverkopers missen op het trottoir die me ’s winters in de vroege ochtend zwijgend wenkten om mijn handen te warmen boven de gloeiende kolen. Antoon Coolen schreef in zijn boek Herberg In ’t Misverstand. “Niet omdat de mensen zo goed en zo mooi zouden zijn, moet gij van hen houden, maar omdat ge hun getuige zijt en hun deelgenoot. En het aardsche leven is niet volmaakt, maar het is het aardsche leven. (..) Het hangt niet uitsluitend van het noodlot af, het noodlot is er een deel van, als de stormen van het land. Zij schaden, maar zij vernietigen niet, altijd is er weer vrucht en oogst.” Hier wordt het koren weer gedorst. Naast de wegen staan hopen stenen voor de heropbouw van de stad. Kabul met al haar verwarring
en hoop, het is voorbij.

Uit 'Aan de rand van de oorlog' van Martien van Asseldonk
"Iedereeen schijnt te denken dat vluchtelingen te ontredderd zijn voor seks, maar het is misschien wel hun enige ontspanning."
"Zijn vrouw heeft het zoontje van twee op haar arm. Het kind kan zijn hoofd maar even recht houden. Zijn ogen zijn apatisch, zijn haren bleek. Beentjes zo dun als een bezemsteel."
"Een knul zegt in zijn onschuld: 'Afghanistan is een bos met verschillende bomen. Het heeft verschillende stammen, maar het vormt toch een eenheid'. Zal hij dit nog zeggen als hij volwassen is? Ik hoop dat de 'warlords' het wel zo zien."
"Gezichten vol hoop op een andere, betere tijd. Hoop op vrede. Ook welvaart? 'Als mijn kleinkinderen grijze haren hebben', zegt (in Kabul) Ahmeds zoon van 17."
"Het meest curieus: gehandicapten worden in een hal op omgebouwde fietsen gezet en met zijn allen drijven ze met hun handen op de pedalen een generator aan. Zo wekken ze electriciteit op voor Kabul. Met per dag tien nieuwe slachtoffers van landmijnen zit het voorlopig wel snor met de stroomvoorziening hier."
"Daar zitten we dan in afwachting van een aanval. (..) Tieners met geweren patrouilleren door de straten. De wind giert en de spanning zindert, maar het blijft rustig die nacht."
"Ondanks de vele bevallinsdemonstraties met een zelfgehaakte pop en gebreide placenta blijft de geboortesterfte in Afghanistan onwaarschijnlijk hoog."
"Ik bel vanuit Peshawar naar ons kantoor in Kandahar. De situatie is er gespannen. We worden er van beschuldigd stiekem moslims te bekeren, en er wordt opgeroepen tot een heilige oorlog tegen alle westerlingen."
"In BosniŽ werd na de oorlog 326 dollar per persoon aan hulp gegeven. De Afghanen moeten het met 42 dollar per persoon doen. Ik proef het bruine goedje met het puntje van mijn tong. De opium smaakt bitter, maar ik krijg geen visioenen van
engeltjes, Met ťťn hectare papaver verdient een boer evenveel als met dertig hectare tarwe."


Trekvogel Van Asseldonk fladdert verder
Bijna twee jaar lang schreef Martien van Asseldonk in het Brabants Dagblad over zijn belevenissen als hulpverlener in Afghanistan. Vorige week keerde hij terug naar Nederland. Vandaag komt met de honderdste aflevering van 'Aan de rand van de oorlog' een einde aan zijn reeks van bijdragen. In een daarvan omschreef de 49-jarige Van Asseldonk, afkomstig uit Veghel, zich als een trekvogel die met zijn borst tot bloedens toe tegen de tralies zou beuken als hij in een kooi zou worden opgesloten. "Maar de jongen piepten", zegt hij nu met een verwijzing naar zijn kinderen voor wie hij vooral terugkeert. Van Asseldonk denkt niet dat hij zich gekooid gaat voelen. Hij mag dan voorlopig niet meer langdurig naar het buitenland trekken, voor Cordaid (onder meer Mensen in Nood en Memisa) en zijn andere werkgever, het management training en consultancy bureau MDF, blijft hij trainingen geven in de verre. Deze week is hij alweer afgereisd. De komende maanden fladdert de trekvogel steeds voor enkele dagen naar Afrika en AziŽ, jawel ook naar Afghanistan. "Natuurlijk krijg je een band met een land en met de mensen met wie je twee jaar hebt gewerkt. Maar ik weet uit eerdere ervaringen ook, dat zoiets op den duur minder wordt. Dat is de tragiek van het vele reizen. Je houdt uiteindelijk nog een paar contacten over." Dat laatste zal ook het geval zijn vanwege de Stichting Mayhan (Eenheid) een door Van Asseldonk ingericht studiefonds voor Afghaanse kinderen. Van Asseldonk vertrok kort na de aanslagen van 11 september 2001 in New York en Washington naar de Pakistaanse stad Peshawar, nabij de Afghaanse grens, waar veel vluchtelingen arriveerden. Na de verdrijving van de fundamentalistische Taliban, het bewind dat met steun aan de terrorist Osama bin Laden de wraak van de VS over zich afriep, zette hij voor Cordaid kantoren op in Kabul en Kandahar en coŲrdineerde de noodhulp aan het kapotgeschoten land. Van Asseldonk werkte eerder voor langere tijd in Kenia en Sri Lanka.

Martien van Asseldonk: Ontwikkelingshulp kan veel effectiever
'Als ik een lijk zie bungelen word ik nieuwsgierig'
Aan de lantaarnpaal nabij de luchthaven van Kabul bungelt een geŁniformeerd lijk met om de nek de aan karton toevertrouwde boodschap dat verraders worden afgeschoten. Even navragen wat hier is gebeurd, denkt de Nederlandse hulpverlener Martien van Asseldonk. Hij krijgt te horen dat het lijk kort tevoren nog een Afghaanse soldaat was, die het vuur op zijn collega's had geopend omdat zijn sympathie de verdreven heersers van de Taliban gold. De recruut gaf zich na een korte schotenwisseling over, maar kreeg geen genade. Thuis, in de huiskamer in Veghel, haalt de zojuist weergekeerde Van Asseldonk de herinnering op aan het incident dat hij eerder beschreef in een van zijn honderd persoonlijke notities voor het Brabants Dagblad. "Als ik zo'n lijk zie hangen, schrik ik niet. Ik raak eerder nieuwsgierig. Wat is het verhaal hier achter, wat stelt het voor?" In zijn bijdrage 'Aan de rand van de oorlog' verhaalde Van Asseldonk de afgelopen jaren over tal van bizarre ontmoetingen in Afghanistan, over verrassende ervaringen en spannende uren in een grotendeels nog wetteloze wereld. "Nee, bang ben ik niet geweest. Angst is een emotie. Maar naar gevaar moet je heel rationeel kijken. je kunt afwegingen maken, overdenken of je bereid bent een risico te nemen. Bezorgdheid, ongerustheid, 's avonds niet kunnen slapen, dat is weer iets anders dan angst hebben. Dat kun je bestrijden door goede informatie in te winnen. Als je om de hoek schoten hoort, ben je gerust als je geconstateerd hebt dat ze niet voor jouw zijn bedoeld."

Bezemstelen
Van Asseldonk vertrok kort na de aanslagen van 11 september 2001 naar Pakistan en Afghanistan om daar de hulpverlening te coŲrdineren voor Cordaid. Hij begon in de vluchtelingenkampen aan de Pakistaans/Afghaanse grens, zag daar vluchtelingenbenen zo dun als bezemstelen en zat direct tot over zijn oren in het werk. Later reisde de hulpverlener door naar Kabul. Vorige week nam hij daar afscheid met de constatering dat na twee jaren met regen en relatieve rust in elk geval de voedselvoorziening voor een groot deel is hersteld. Er is veel meer gebeurd en 'zijn' organisatie heeft daar een bijdrage aan geleverd. "We hebben klinieken gebouwd, artsen betaald, boeren geholpen, vluchtelingen van voedsel voorzien, huizen gebouwd, kinderen in leven gehouden, moeizame bevallingen tot een goed einde gebracht. Het is bevredigend als je op zulke concrete dingen kunt wijzen." In de afgelopen twee jaar besteedde hij namens zijn opdrachtgevers zo'n 18 miljoen dollar. "De deuren gingen voor me open", glimlacht de hulpverlener, die plots tal van vrienden kreeg. "Natuurlijk zorgt zo'n zak geld er voor dat je veel contacten opdoet, vriendschappen ook. Voor ons is het wat ongewoon misschien, maar in de meeste andere culturen is het de normaalste zaak van de wereld dat vriendschappen ook met geld te maken hebben. Dat is niet erg en hoeft een persoonlijke band niet in de weg te staan. Zelf moet je, met een pak dollars achter op je fiets, wel uitkijken dat je niet arrogant wordt. Je bent moreel verplicht om bescheiden te blijven en naar mensen te luisteren." Dat laatste geldt ook op grotere schaal, zegt Van Asseldonk. "Het internationale ontwikkelingswerk heeft nog veel te veel een top-down structuur. Het is te star, het wordt teveel bepaald door donoren die te weinig rekening houden met lokale culturen en structuren. Dat is voor noodhulp niet erg, maar voor hulp op langere termijn wel. Wat dat betreft is het bedrijfsleven verder dan bijvoorbeeld het ministerie van Buitenlandse Zaken. Philips zal een fabriek in India anders opzetten dan hier. Binnen de bedrijfstop leeft het besef dat door rekening te houden met de lokale cultuur meer geld kan worden verdiend. Buitenlandse Zaken en anderen zouden daarvan moeten leren. Zie het als mijn persoonlijke missie: ontwikkelingswerk effektiever maken. daar gaat het uiteindelijk om."

Dreiging
Van Asseldonk is vertrokken uit een land waar de dreiging van geweld voortduurt. "Vooral in het zuiden, in de regio Kandahar. Daar was het vorig jaar oktober toen ik er verbleef, al een beetje spannend. Maar inmiddels heeft de Taliban zich in de provincies Zabul en Urzugan gehergroepeerd, weer trainingskampen opgezet. Nou ja, Taliban, al-Qaeda, de troepen van Hekmatyar, zij krijgen de schuld van alle geweld. Maar ondertussen floreert ook de gewone criminaliteit." De hulpverlener is 'gereserveerd' over de nabije toekomst van het door oorlog en stammentwisten verscheurde Afghanistan, maar 'hoopvol' op de langere termijn. "Het land moet zoeken naar een evenwicht. Zolang de krijgsheren het geld van de opgebloeide papaverteelt in hun zakken kunnen steken, zullen ze het zo best vinden. Ze bouwen er wel weer hun eigen legers mee op. Ik denk niettemin dat de tijd in het voordeel tikt van het centrale gezag in Kabul, van Hamid Karzai, dat het land nog moet opbouwen. Het herstel van de waarden zal heel geleidelijk gaan. Het zou voor de stabiliteit goed zijn als de internationale gemeenschap haar beloftes zou nakomen, bijvoorbeeld die om de missie van de troepenmacht ISAF niet te beperken tot de hoofdstad maar uit te breiden naar de provincie." Daarover wordt, zo bleek onlangs, inmiddels nagedacht bij de NAVO en in Washington.

56.
In 2004, 2005 en 2006 werkte Martien van Asseldonk in door rampen getroffen gebieden in Pakistan (aardbeving), Afghanistan (oorlog), Sudan (oorlog) en Suriname (overstroming). Ook verzorgde hij in die periode management-trainingen en deed hij programma-evaluaties in Vietnam, Zuid-Afrika, Laos, Bangladesh, Kenia en Nederland.

57.
In februari 2005 organiseerde hij noodhulp voor vluchtelingen in Sudan. De overheid had een gammele truck ter beschikking gesteld die het liet afweten, zodat Van Asseldonk vluchteling tussen de vluchtelingen werd, met weinig voedsel of water. de volgende dag werd er een reddingsmissie gestuurd. Twee dagen later werd Van Asseldonk met een speciale vlucht naar het ziekenhuis in Nairobi (Kenia) gevlogen met nierstenen die operatief verwijderd werden.

58.
Eind 2006 kwam het huis in Sri Lanka volledig op naam van Martien van Asseldonk.

59.
Oud Zijtaart in modern jasje

Martien van Asseldonk en Antoon Vissers liepen al een tijdje rond met hun plan: een website maken over de geschiedenis van Zijtaart. En na heel wat uurtjes zwoegen, hebben zed at nu voor elkaar gekregen. De site, www.oudzijtaart.nl, bevat informatie over de huizen en hun bewoners, over de gebeurtenissen in het Veghelse kerkdorp tot 1980 en over het verenigingsleven. Sinds 1 januari is de zite in de lucht. De eerste reacties stromen binnen. Een intervieuw mety twee bevlogen mensen.

Hoe is het idee voor deze website ontstaan?
Martien: “Antoon en ik ontmoetten elkaar in September 2005 na lange tijd weer op de reŁnie van Jong Nederland. We spraken daar over onse gezamelijke interesse: de geschiedenis van Zijtaart. Al snel kwamen we op het idee voor een website.”

Waarom een website en geen boek?
Een boek is op een gegeven moment af en daarna niet meer te veranderen. Het grote voordeel van een website is dat het lťťft! Het is de bedoeling dat we met hulp van alle inwoners van Zijtaart onze eigen geschiedenis gaan maken. Dit is nog maar het begin.”

Wanneer zijn jullie begonnen?
Antoon: “We hadden al veel materiaal liggen. Zo is Martien vroeger al eens bezig geweest met de huizen en hun bewoners. Alleen de periode tussen 1700 en 1832 (moet zijn na 1832 – mva) moest nog worden uitgezocht, maar dat bleek nog een heel monnikenwerk. Ik ben vooral bezig geweest met de rechterlijke archioeven. Vooral de laatste paar maanden zijn vrij intensief geweest.”

Hoe zijn de eerste reacties?
Martien: “Harstikke enthousiast, met name van veel oudere mensen. Ik hoor verhalen van mensen van in de zeventig, die de eerste dagen niet meer achter de computer weg te slaan waren. In de eerste week had ik al meer dan veertig reacties via de mail binnen. Dat waren vooral van mensen die hun verhaal ook willen vertellen.”

Verhalen?
Anekdotes over gebeurtenissen in Zijtaart. Zo was ik van de week bij Miet Kanters. Zj vertelde mij een ontroerend verhaal over de meidagen van 1940. Met eigen ogen heft ze de gesneuvelde soldaten gezien, die aan het kanaal waren gevallen. Ze herinnerde zich nog de ‘schuttersputjes’, waar ze de dagen erna ging spleen met slakkenhuisjes. Erg ontroerend.”

Hoe nu verder?
Antoon: “We willen de komende jaren zoveel mogelijk oudere mensen uit Zijtaart gaan intervieuwen, zodat hun verhalen bewaard blijven. We doen dat het liefst bij de mensen thuis, want na een paar minuten praten komt het foto-album op tafel en komen de verhalen vanzelf. En mensen kunnen hun ideeŽn en aanvullingen natuurlijk altijd kwijt via ons e-mailadres, info@oudzijtaart.nl.
(Bron: Brabants Dagblad, januari 2007, door Willem Timmers)

60.
In maart en april 2007 raakte Martien van Asseldonk betrokken bij een kidnap in Kabul. Een goede vriend van hem, een Afghaanse leider van een plaatselijke hulporganisatie werd gekidnapt. Van Asseldonk stond de familie in deze moeilijke periode bij, en werd vervolgens met de dood bedreigt door de kidnappers. Hij wist te ontkomen. Zijn vriend werd vrijgelaten, nadat de familie hun hele vermogen aan de kidnappers overhandigde.

61.
Sterke digitale presentatie

Lokale geschiedenis wordt op verschillende manieren vastgelegd en overgedragen. Exposities, lezingen en publicaties zijn geijkte middelen om kennis van de eigen gemeenschap te presenteren. De laatste jaren speelt digitalisering in die kennisoverdracht een steeds grotere rol. Een bijzonder initiatief in dit verband is de website www.oudzijtaart.nl, waarin de geschiedenis van Zijtaart in beeld wordt gebracht. De site kent drie hoofdrubrieken: door middel van een uitgebreide fotocollectie wordt een beeld geschetst van de Zijtaartse gemeenschap van 1850 tot 1980, er wordt een overzicht gegeven van de verschillende woningen en hun bijzonderheden en in de ‘kroniek’ worden verhalen over grote en kleine geburtenissen certeld, van 1310 tot 1980. Enkele thema’s worden kort verder uitgediept: de ontwikkeling van de bouwstijlen, achtergronden van de gemeenschapszin, een overzicht van verenigingen en een toelichting op verschillende veldnamen.

De site is een initiatief van Martien van Asseldonk, die mede dankzij de aanlevering van data door Antoon Vissers een enorme diversiteit aan boeiende gegevens weet te presenteren. Pas sinds 31 december 2006 is de site on line, maar ze is toch al 14.000 keer bezicht, met gemiddels 60 hits per dag. Voor heemkundige verenigingen die druk bezig zijn met het digitaliseren van hun collectie, is een bezoekje aan de site zeker de moeite waard. Waar een kleine gemeenschap groot in kan zijn!
(Bron: Historsch Nieuwsblad, jaargang 21, nummer 2 (juli 2007).)

62.
Op 1 september 2007 werd de Stichting Studiefonds Afghanistan opgeheven, nadat de ondersteunde personen hun studie afrondden.

63.
In december 2007 werd de boerderij (voornamelijk mango en teak) in Sri Lanka verkocht.

64.
'Misschien moet ik er maar gewoon mee kappen'.
Martien van Asseldonk
Geboren: 1954, Zijtaart
Burgerlijke staat: gescheiden, vier kinderen
Studie: mulo (Veghel), mts en hts (Den Bosch)

Hobby: Geschiedenis. Ging in 1978 eigen stamboom uitzoeken. Promoveerde in 2002 op proefschrift over de ontwikkeling van het dorpsbestuur in de Meierij vanaf de Late Middeleeuwen. Werkt onvervaard verder aan de geschiedenis van Zijtaart. "De wereld is niet killer en individueler geworden. e dorpen zijn wel veranderd. Er is minder sociale controle, de invloed van de kerk is verdwenen, elk dorp is groter geworden, met meer buitendorpers, de televisie is van grote invloed. Je hoeft niet eenzamer te zijn, maar je moet er wel meer voor doen, je wordt er niet meer automatisch bijgesleept, ook niet in Zijtaart. Het is gemakkelijker geworden je terug te trekken, voor mensen die graag op zichzelf zijn, is het dorp tegenwoordig minder een last, Maar de wereld is niet slechter geworden."

Hobby: Fotografie. Google zijn naam en je vindt bij Flickr meteen grote series prachtige foto's van hem op missie.

Beroep: Internatonaal hulpverlener. "Ik ben voor de helft in dienst van MDF (Managementtrainingen voor internationale hulpverlening, red.), daarnaast heb ik een contract bij Cordaid (Nederlandse ontwikkelingsorganisatie, red.) voor 100 dagen epr jaar. "Die managementlessen zijn vooral van belang om cultuurverschillen aan te geven. Het is heel belangrijk dat je je realiseert dat het overal anders is. Er is een correlatie tussen rijksom en individualisme, met Japan als uitzondering."

Nog een hobby: schreef kort na de eeuwwisseling twee jaar colums voor Brabants Dagblad over zijn belevenissen als hulpverlener.

Literatuur: 'De Crisiskarevaan'. Auteur Linda Polman. Uitgeverij Balans (2008), 230 blz., 17,95 Euro.

Hij is humanitair hulpverlener, struint al bijna 30 jaar langs brandhaarden en waar mensen nood hebben aan hulp. Die hulp staat onder druk. Geld raakt zoek of komt in verkeerde handen. Criminelen weten precies hoe ze ’de crisiskaravaan’ kunnen manipuleren. Martien van Asseldonk denkt er intussen soms ook over zijn leven om te gooien. Door Henri van der Steen.

Hij oefent het op vier na gevaarlijkste beroep uit ter wereld en het gevaarlijkste als het gaat om het risico van een door opzettelijk geweld tot stand gekomen dood. Martien van Asseldonk relativeert dat gevaar echter graag. Op heel wat dubieuze plekken is hij nooit bang geweest, hij is juist wel eens gerold op een plek waar hij het niet verwachtte. Raar beroep. Bij een coctailtje zegt hij. "Meestal word ik drie weken uitgezonden. De eerste en tweede week zijn druk, heel druk. Dan ben ik vaak om vier uur wakker. Maar de laatste week heb ik meestal wel een paar dagen over om de toerist uit te hangen. Dan trek ik er op uit, liefst de krottenwijken in, met de camera bij de hand."

De hulpverlener woont in Veghel, maar: "Ik leef vanuit mijn koffer." Hij was dit jaar al in Botswana, Kenia, Afghanistan, Sri Lanka, Bangladesh, weer Sri Lanka, nog eens in Afghanistan. Hij is net terug uit Kabul en Uruzgan; goodwill kweken bij de bevolking voor de Nederlandse missie.

Het voorgerechtje, een gezonde salade met zalmpakketje, smikkelt hij lekker weg. Vertelt intussen het ene verhaal na het andere. Hij was in Sri Lanka even manager van een bootwerf. "Tot bleek dat marxistische Sri Lankezen dat bedrijf als dekmantel hadden gebruikt voor hun revolutie. Daar kwamen we achter toen de politie binnenviel…" Vorig jaar raakte hij in Afghanistan betrokken bij een kidnap van een lokale hulpverlener. "De eis van de ontvoerders was 400.000 euro, die moest ik betalen. Uiteindelijk is die jongen  door zijn eigen familie vrijgekocht voor 50.000 euro." Doorgaans struikelt hij over de bedelaars die al blij zijn met een muntje. "Niet geven is het parool, het is geen structurele hulp. Soms grijpt een tafereel je aan. Laatst kwam er een jongetje van zes schooien, hij was door z’n vader gestuurd, zijn broertje was ziek. Ik zei: 'Heb je een briefje van de dokter?' Dat had-ie. Ik gaf hem twee euro voor medicijnen. Twee dagen later kreeg ik een uitnodiging voor de begrafenis. Als ik niks had gegeven, was hij evengoed dood gegaan, maar had ik het op m’n schouders gehad. Ik ben pragmatisch geworden. Ik laat het afhangen van de situatie, m’n stemming, of ik m’n hand bij de portemonnee heb. Ik volg het hart."

We praten over het onthutsende boek van Linda Polman, ’De crisiskaravaan’, waarin wordt aangetoond hoe hulp wordt misbruikt en bij de verkeerde partijen komt. Martien stribbelt eerst tegen. "Het boek van Linda Polman is tendentieus en doet de waarheid geweld aan. Natuurlijk is er concurrentie. Maar dat die NGO’s (non-gouvernementele organisaties, red.) elkaar het licht in de ogen niet gunnen, dat is gewoon niet altijd waar. Er zijn over NGO’s ook een hoop goede dingen te zeggen. Polman heeft alleen de slechte dingen op een rij gezet en die aangedikt. Ik overdrijf nu misschien. Net als zij."

Het is de typische retoriek van een humanitair werknemer in een industrie die goed wil doen, maar overruled wordt door de barre werkelijkheid. Polman geeft toch voorbeelden van plaatsen waar noodhulp ook kwaad deed, maar dat de betrokken internationale NGO’s er in hun eigen strijd om te overleven (er zijn er volgens de VN maar liefst 37.000) geen belang bij hebben dat bekend wordt dat hun projecten vaak bij voorbaat tot mislukken zijn gedoemd. Dat de ontvangers van hulp de concurrentiestrijd tussen al die NGO’s sluw uitspelen en naar hun eigen portemonnee sturen. De werkelijkheid van de internationale hulpverlening is er daarom een van schrijnende machteloosheid en zelfvergrotend onrecht. Polmans boek is genomineerd voor de Scherpenzeelprijs (die ze overigens om principiŽle redenen weigert), haar boek wordt dit jaar vertaald in het Engels, Zweeds en Italiaans. Martien van Asseldonk geeft Polman ineens, per ongeluk, toch wel gelijk, met een voorbeeld uit eigen hand. "Ik was er bij in Sri Lanka. Daar houden de Tamils burgers in gijzeling. Dan zie je dat de aantallen gegijzelden worden overdreven om zo veel mogelijk hulp aan te trekken. Meer hulp, meer vrachtwagens, daar kunnen de gijzelaars zelf ook weer van eten. Alle partijen gebruiken die hulp, dat is waar. Maar het beeld is minder zwart dan Polman wil doen geloven."

We somberen boven een knolselderijsoepje verder, al houdt Van Asseldonk de moed er in. ,,Mijn dochter Elles zegt: ’Je moet het vergelijken met ons eigen systeem. Wij helpen mensen ook, die krijgen bijstand. Zolang wij hulp geven aan onze eigen mensen, moeten we ontwikkelingshulp blijven geven.’ Dat is een goed punt. Het is geen oplossing, maar een noodgreep. Dat wel.’’Het dilemma is duivels. Geen hulp geven is geen optie, hoewel veel hulp totaal averechts werkt. Dat stelde Florence Nightingale al. Zij was het daarom niet eens met het initiatief van Henri Dunant, die het Rode Kruis oprichtte. Nightingale verzorgde gewonde militairen in de Krimoorlog. Eenmaal opgeknapt, werden die militairen meteen weer naar het front gestuurd. Dunant stelde er onze natuur tegenover: ’De kwellingen van zoveel mogelijk arme stakkers verlichten, is nu eenmaal een diepmenselijk verlangen.’ Bovendien betaalt het lekker, moet je eerlijk vaststellen. Martien van Asseldonk is goed voor 4000 euro netto per maand.

Hij verdedigt daarvoor de hulpindustrie met vuur. ,,Er is niks mis mee dat hulpverleners verdienen aan ontwikkelingshulp. Wij hebben een salaris, want wij moeten ook een hypotheek betalen. In het bedrijfsleven is het legitiem een afweging te maken tussen kosten en baten, waarom bij hulporganisaties niet? Het klopt dat NGO’s soms in gebieden blijven hangen terwijl ze zouden moeten oprotten. Ze blijven omdat het geld op moet of omdat ze het personeel aan de gang willen houden. Dat is deels ook sociaal beleid. Mensen als ik hebben weinig rechten, ik vind het niet slecht dat NGO’s daar rekening mee houden. Maar het is niet zo gemakkelijk, je werkt in alle opzichten in een grensgebied.’’ Bij de gevulde paprika’s vertelt hij dan over zijn kinderen. ,,Ik heb drie dochters en een zoon. Marieke is 26, cum laude afgestudeerd in de psychologie. Sander is 24, gestopt met natuurkunde, zoekende nu. Elles is 22, die gaat als een speer. Leidertje. Heeft een half jaar in Botswana gezeten, ze was in Nairobi en Malawi, wil deze zomer naar Egypte. Ze wil het bedrijfsleven in, omdat het bedrijfsleven duurzamer wordt. Elles is altijd papa’s kindje geweest. Marleen is 20, studeert aardwetenschappen. ’Ik wil de aarde redden’, zegt ze.’’Bij hem thuis was het vroeger drukker. ,,We hadden negen kinderen thuis, zes jongens, drie meisjes. Een jongen is verongelukt, drie zijn champignonteler geworden, eentje vrachtwagenchauffeur, ik hulpverlener.

Moet jij op familiefeestjes altijd verslag uitbrengen van je avonturen?"Nee hoor, geen woord, ja sterke verhalen, ik heb altijd een paar sterke verhalen, dan speel ik even de entertainer. Maar voor de details van mijn werk is weinig belangstelling. Champignons, paarden, belastingen, voetbal, dat zijn de vaste onderwerpen. En als er, zoals nu, Polen in een aanbouwsel van een kwekerij worden ondergebracht, komt de buurt in actie, dan zijn ze bang dat het misschien wel een hoerentent wordt. Zo gaat dat in Zijtaart." Toch trekt het platteland, en een leven in zekere eenvoud. Martien bekent dat er langzaam iets aan het breken is bij hem. "Je komt na enkele weken buitenland terug met wallen onder de ogen, je hebt twee dagen nodig om weer bij de les te komen, je bent permanent ontregeld. En het gaat maar door. Ik voelde me van de week echt een beetje ontheemd. Ik kreeg ineens het verlangen naar huisje-boompje-beestje. Het gevoel overviel me. En de kinderen kwamen op bezoek. Ik kreeg het gevoel tekortgeschoten te zijn omdat ik er nooit was. Ik dacht: je deugt niet als thuisbasis. De koffer van de vorige trip is nog niet uitgepakt en moet alweer ingepakt. Ik dacht: hoe lang kan ik dit blijven doen? Aan de andere kant: als ik eenmaal op pad ben, is het weer leuk. En ik moet door, want ik heb m’n pensioenvoorziening niet zo geweldig goed geregeld."

Bij het nagerecht, een mousse au citron, komt de liefde ter sprake. "Ik ben twaalf jaar geleden gescheiden van Joke. We kunnen nog goed met elkaar overweg, maar waren uit elkaar gegroeid. We zijn samen ooit naar Afrika gegaan, een onderwijsproject. Joke wilde al van jongs af aan naar de derde wereld. Ik wilde Philips ontvluchten. We hebben er vier jaar gezeten. Later zijn we naar Sri Lanka gegaan." Mis je de liefde?"Dat verberg ik door hard te werken, het is een vlucht. Na de scheiding kon ik twee dingen doen: gaan drinken of studeren. Ik heb voor de studie gekozen. Er is nu iemand verliefd op me. Ja, een Nederlandse. Maar ik begin er niet aan. Het is wel een heel leuke vrouw, maar ze is getrouwd… Bovendien ben ik het reizen beu, ik denk soms dat ik m’n leven moet omgooien, ik ben me aan het bezinnen. Misschien moet ik er maar gewoon mee kappen en er meer zijn voor m’n kinderen."

Komt het nog goed met Joke?"In december waren we in Kenia, bij Elles, toen hebben we elke dag samen ontbeten, hoewel we niet in hetzelfde hotel zaten. Dat was goed. Ik heb lang gehoopt dat ze zou bellen om eens een hapje te gaan eten. Maar als ze nu zou bellen, zou ik me moeten beraden. Tuurlijk zindert het nog. Maar de belangen van de kinderen staan voorop."

Je houdt nog van haar, merk ik.
Hij kijkt me aan, knikt nauwelijks merkbaar en kijkt naar buiten.

65.
Art Cafe, July 2009-08-20
http://www.flickr.com/groups/globalworldawards/
http://www.flickr.com/groups/globalworldawards/discuss/72157621905604752/

At one point in his life Martin van Asseldonk’s passport had only three words printed on it: World Traveler. Humanist

Where are you from?
I am from The Netherlands (Holland)

Where do you live?
I live from my suitcase, travel a lot as a management consultant. I do have a rented house in The Netherlands, where I regulary touch base to see my four children.

What kind of studies have you done?
Well - electronics, thean I worked 3 years fro Philips in Netherlands - married in 1980, Went to kenya with my wife, worked there 1981-1985 as a manager of a vocational training centre for streetkids in the slums of Nairobi. We got 2 children there. Wasn't easy to re-adjust back home, and we worked for 11 years in Sri Lanka, got 2 more children. Seperated, I did a PhD (1998-2001), became Voss of an international NGO in Kabul (2001-2003) and hereafter I work as a management consultant, often (but not always) dealing with emergencies.

What is your background in photography?
I bought my first very cheap camera when I was 14. Tried out crazy shots. I did have a feel for drawing and art, but didn't do much with it. I was a very sensitive kid, I suppose, but growing up on a farm - working was better appreciated. Had a period of doing oil-painting in Kenya. I also sometimes write some stories in newspaper. Furhermore made a movie with youth in my home village in the seventies. When i started earning a salary (Philips) in dcember 1978 I boght my first professional camera. On the next sundaycmorning I walk through the frozen field and made my first artistic shots. In those days slides were considered to be more beautiful and artistic and the coming years in Kenya and Sri Lanka I did more with slides than foto's. Foto's (and later videos) was more for documenting the endless number of birthdayparties and trips. In was emotional low in 1997-2001 and seperated and did my PhD. That opened up again in 2001, and shortly afterwards 2002 i bought my first digital camera. After 2003 I started traveling a lot for my work and photography gained some momentum. Over the years I had learned slowly by doing. I like to have the blue sky as a background and I love the strong emotional impact of hands.

What are your favorites subjects?
I photograph that what talks to me, makes an emotional impact. A frame, colourcombination (face + background etc.) kind of pop up out of my emvironment. I than just point and shoot. Mostly people, but then a bit deeper in their soul. I do most of the time interact while shooting.

What kind of camera do you use?
Canon EOS 450 D digital


Do you work with photoshop?
Yes, but slightly. Sometimes I think that the camera is just off track and then I help it a little bit.

Have you exhibite your photos and do you plan to show your work in art rooms in the future?
No, I do not exhibit, except on Flickr. yes, like to do so.I sold one phto to be put on the cover of The Kiterunner in France (paperback-edition). I do get frequently requests, but give them away free of charge most of the time. Tried stock-photo's for a few days and gave up. Much work, less money, much focus on technical quality. That is not me, I photograph just for beauty and art and as a challenge to get beauty out, and truth, ontold truth, and shock and touch hearts. There is a bit of permanent anger in me with all the superficial lifes many people live, and what they take for granted and small worlds and small groups and all that. Life is too short and precious to waste like that.

Do you print your photos and on what?
Not anymore. Sometimes enlarges beautiful ones.

What are your favorites photographers?
Don't know, I do like certain styles, but I am bad in remembering names. There is a Dutch one, Martien Coppens, who photogaphed farmers and traditional houses, all black and white, and I like the way he tried to bring the souls out.


Why are you in flickr and what do you expect from that possibility?
Well, I started with FaceBook, but that is not the right forum for fotosharing. Then my son mentioned Flickr, and I enjoyed it from the start.

67.
Brabants Dagblad, vrijdag 28 oktober 2016, Uden Veghel. Kees Backs.
Boek over geschiedenis van Veghel grotendeels in Sri Lanka geschreven.
Schrijven van levenswerk duurde langer dan 25 jaar.

Martien van Asseldonk begon in 1989 (!) met zijn boek over de geschiedenis van Veghel. Vandaag is de presentatie van het document. "Tijdens de bijna 27 jaar die ik aan mijn boek werkte, ben ik verschillende keren gestopt. Dan had ik er even de balen van, of ik had het gewoon te druk. Bijvoorbeeld met de mangofarm die ik 1996 in Sri Lanka begon. Bedenk dat ik bijvoorbeeld alleen al op de grondbezitsverhoudingen twaalf jaar heb gestudeerd." Martien van Asseldonk (62), geboren en getogen in Zijtaart, werkt al jaren als ontwikkelingswerker en tegenwoordig als management-deskundige in Sri Lanka en Afghanistan, maar zijn grootste levenwerk gaat toch over zijn geboortestreek.

Cijnsboeken.
Uitgangspunt voor de reconstructie van de geschiedenis van Veghel en het graafschap Rode (Sint-Oedenrode) waren oude 'cijnsboeken', waaruit hij de relatie tussen grondbezit en belasting destilleerde. "Als je weet wie de belasting inde, wist je wie de baas was. Dat zei dan weer iets over de organisatie van het bestuur en de samenleving."

Slepen met papier
Omdat er destijds nog geen internet was, sleepte hij kopieŽn van die cijnsboeken, tientallen kilo's  papier, mee naar Sri Lanka. "Zelfs in de rugzak van mijn zoontje. Het eerste stuk van mijn boek schreef ik in WordPerfect en dat stuurde ik op floppy's naar Nederland. Later heb ik die dingen in het gemeentearchief teruggevonden. Geen enkele computer kon ze meer lezen. Gelukkig had ik mijn oude harde schijven bewaard."

Rechte eind
Voordeel van het werken in Sri Lanka was dat hij daardoor de geijkte literatuur niet kon lezen. Hij komt daardoor naar eigen zeggen tot nieuwe inzichten over de ontstaansgeschiedenis. "Veghel is niet ontstaan uit de samenklontering van buurtschappen maar doordat vrije horigen een kerk bouwden bij een doorwaadbare plek in de Aa. Waar die de weg van Sint-Oedenrode naar Uden kruiste."Zijn eigenzinnige ideeŽn zorgden ervoor dat een aantal historicivan hem hebben afgewend. Van Asseldonk blijft er van overtuigd dat hij het bij het rechte eind heeft in zijn lijvige wetenschappelijke werk.

Luchtige anekdoten
"Het boek is niet alleen voor wetenschappers bedoeld maar ook voor 'Henk en Ingrid'. Speciaal daarom staan er ook veel kadertjes in met luchtige anekdotes." Vervolg Een tweede deel gaat Van Asseldonk na al die jaren van monnikenwerk waarschijnlijk niet meer schrijven. "Het vervolg lijkt me iets voor de Heemkundekring."

Het boek verschijnt in een oplage van 1000 stuks. Het wordt uitgegeven door Picture Piblishers en is te koop bij de boekhandels in Veghel, Sint-Oedenrode en Schijndel, Den Bosch (Heijnen) en bij de Jumbo in Veghel. Van Asseldonk promoveerde in 2002 op het ontstaan van dorpsbesturen en de bestuurlijke indeling en grenzen in de Meierij.

68.
Brabants Dagblad, vrijdag 28 oktober 2016, Uden Veghel. Kees Backs.
"De pastoor had gewoon kinderen"

Niet alleen dorre gegevens over grondbezit en dorpsbestuur, maar ook saillante details over seksualiteit en zelfs prostitutie staan in het boek 'Veghel een goet ende vet dorp' dat vandaag het levenslicht aanschouwt. "Tot 1550 waren de pastoors in Nederland getrouwd, hoewel dat officieel niet mocht. Ze hadden kinderen en die volgen hen gewoon op. Pas met de komst van Luther en Calvijn was dat afgelopen". Zomaar een stukje uit het hoofdstuk over seksualiteit in het boek van Martien van Asseldonk uit Zijtaart waarin hij de geschiedenis van Veghel van 600 tot 1810 beschrijft.

Behalve een reconstructie van het grondbezit en de bestuursvorm beschrijft Van Asseldonk ook zaken als school en onderwijs, armen- en gezondheidszorg en kerk en geloof. In een van die hoofdstukken komen ook de rituelen rond verkering aan bod: jongens mochten bij hun meisje slapen. Maar niet onder de dekens. Prostitutie In zijn boek ook verhalen over prostitutie. De Veghelse dames van lichte zeden noemt hij niet bij hun naam. "Dat zou niet netjes zijn. In een aantal gevallen leven hun nazaten nog." Rond 1800 start de kerk een zedelijkheidsoffensief dat tot 1963, het tweede Vaticaans concilie, de samenleving in belangrijke mate bepaalde.

"Ik wil in mijn boek de werkelijkheid zo dicht mogelijk benaderen. De veelgeroemde Bourgondische Brabantse gezelligheid is aan mij niet besteed", zegt hij tijdens een kop koffie in zijn apartement in het Zijtaartse klooster. Hij was altijd al in geschiedenis geÔnteresseerd: op 3 oktober 1978 belde hij samen met zijn broer Mari aan bij pastoor Verra in het klooster van Zijtaart. We vroegen of we de parochieregisters mochten inzien. "We willen onze stamboom uitzoeken, zeiden we. Daarmee begon mijn eigenlijk historisch onderzoek." De vondst van 'het archief van Jekschot'. een buurtschap tussen Sint-Oedenrode en Veghel was uiteindelijk de aanleiding voor het boek. "Ik had me verdiept in de Asseldonkse Hoef op Jekschot en mijn onderzoek verbreedde zich voor het eerst naar de geschiedenis van Veghel.  Bevriende archivaris Wim Cornelissen kopieerde het archief, hoofdzakelijk belastinggegevens in het Latijn. En van Asseldonk toog met zeker twintig kilo papier naar Sri Lanka waar hij destijds ontwikkelingswerk deed. "Na avonden studeren begon ik de verbanden te zien. Er bleek een verband te zijn tussen de grootte van de percelen en de bedragen." Een belangrijke ontdekking zo bleek. "Als je weet wie er rond 1190 belasting inde, weet je ook wie de baas was. Door de cijnzen van de hertig van Brabant en de heer van Helmond aan de juiste percelen te koppelen, wist ik wanneer die percelen van de gemeente gekocht waren. Zo kon ik een kaart van Veghel van einde 12e eeuw tekenen, en van elk moment daarna tot aan de invoering van het kadaster in 1832."

69.
Stadskrant Veghel, 28 oktober 2016, jaargang 23, week 43. Ties van Dooren
Boek over Veghel
Veghel De voorbereidingen begonnen 30 jaar geleden. Vandaag, vrijdag 28 oktober, is het dan eindelijk zover. Martien van Asseldonk presenteert zijn boek 'Veghel een goet ende vet Dorp'. In dit boek wordt de geschiedenis van het landschap gereconstrueerd vanaf de komst van de eerste bewoners rond 575 tot het jaar 1810. Er wordt gekeken hoe Veghel (met Eerde, Zijtaart en Mariaheide, maar zonder Erp red.) zich ontwikkeld heeft en hoe de mensen er door de eeuwen heen geleefd hebben. Martien is trots op het eindresultaat. Al is zo'n boek nooit helemaal af. "Op de dag van de deadline heb ik nog wijzigingen doorgevoerd. Je blijft extra info vinden. De puzzel is nooit af." "Veghelaren stammen allemaal af van immigranten."

Een puzzel is het al die jaren zeker geweest. "Het begon eigenlijk toen ik naar Sri Lanka verhuisde in 1986. Ik liep toen al met het idee rond om ooit een boek over Veghel te maken. Uit het archief had ik zo'n twintig kilogram papier gevist over de gemeente Veghel." Deze lading ging mee in het vliegtuig naar Azie. "Rugzakken vol papier. Ik weet nog dat mijn zoontje vroeg of dit niet te zwaar was voor in het vliegtuig. "Ach, dan vliegen we toch een stukje lager", antwoordde Martien destijds. Het vertrek naar Sri Lanka was overigens werkgerelateerd. Martien heeft er nog steeds een huis, maar leeft vooral vanuit zijn koffer.  "Ik heb niet echt een vaste verblijfplaats. Voor mijn werk reis ik de hele wereld rond." In het begin was het idee vooral om kaarten van vroeger te reconstrueren.

Monnikenwerk.
"Ik dacht in '86 dat doe ik wel even. Tien jaar later stopte ik. Ik was er even klaar mee (archivaris en hulp Wim Cornelissen was inmiddels overlden en Martien had het te druk met zijn werk red.) "In 2008 ben ik weer volle bak aan de slag gegaan. Met terugwerkende kracht de juiste keuze." Bij het zien van het eindproduct, een informatief en interessant boek vol kaartjes, persoonlijke verhalen en illustraties, blijkt Martien gelijk te hebben.

Traantje wegpinken
In de jaren dat Martien niet bezig was met zijn boek zat hij zeker niet stil. Op basis van een proefschrift over het dorpsbestuur in de Meierij wist hij 2002 te promoveren.  "Mijn huwelijk strandde in 1997. Ik zocht afleiding. Dan kun je of veel gaan drinken of gaan promoveren. Ik koos voor het laatste," zegt hij. De Heemkundekring Vehchele is maar wat blij met Martien. "Het is uniek voor Oost-Brabant dat er zoveel gegevens over een dorp naar boven zijn gehaald. Daarom hebben we de uitgave van zijn boek van harte ondersteund," zo laat de Veghelse heemkundekring weten. Het reconstrueren van alle kaarten met daarop alle percelen (zo'n 15 duizend) werd in 2013 volbracht. "Toen ik in 2013 vanuit een hotelkamer de laatste gegevens online zette, was de klus waarmee ik 27 jaar geleden begon grotendeels geklaard." Martien pinkte van blijdschap een traantje weg.

Toch besloot Martien zijn werk pas drie jaar later te publiceren. "Ik heb er een heel verhaal omheen geschreven over het geloof, het onderwijs, de welvaart et cetera. Eigenlijk alles wat belangrijk is geweest voor Veghel komt aan bod." De inhoud van het 336 pagina's tellende boek te behandelen is bijna niet te doen. Toch kiest Martien een aantal bijzondere passages. "De discussie omtrent immigratie woedt al decennialang. Ik heb nieuws"Wij Veghelaren stammen allemaal af van immigranten. Verder is Veghel eigenlijk gesticht op de plek waar nu De Scheifelaar ligt en waren wij vroeger een erg welvarend dorp. Dat kwam vooral door de vruchtbare grond. En wist je trouwens dat er een tippelzone in de kom was met prostituees. Een van die dames is destijds door een groep jongelui in een put met stront gegooid." Aan verhalen en anekdotes geen gebrek. Genoeg voor een tweede deel. Veghel van 1810 tot nu? "De Heemkundekring wil graag dat ik me daar mee bezig ga houden, maar dat is niet aan de orde."

'Veghel een goet ende Dorp' is te koop bij Bek, Schellen en Jumbo voor 27.50 euro. "Het boek is door professionals opgemaakt. Het is echt de moeite waard." Elke Veghelaar moet dit boek lezen? "Absoluut",  besluit Martien.

70.
VeghelNieuws.nl 1 november 2016
“Veghel een goet ende vet Dorp”


De oude raadzaal was vrijdagmiddag 28 oktober te klein. De belangstelling voor de presentatie van het boek van Martien van Asseldonk was nog groter dan verwacht. Blijkbaar worden we ons er meer en meer van bewust dat de grond waarop wij leven een historie heeft. Een boek over het ontstaan van Veghel voedt een diepgewortelde behoefte aan antwoorden op vragen over ons verleden…Meer mensen dan de oude raadzaal kon bergen, kwamen op de boekpresentatie af en een aantal moest teleurgesteld omkeren.

Commissaris der Koning
De voorzitter van heemkundekring Vehchele, Bernard Vissers, gaf in zijn inleiding aan dat de vereniging heel blij is met Martien als lid. Ze bieden hem graag een podium om zijn boek te presenteren. “Veghel een goet ende vet Dorp” heeft het als titel meegekregen. Het is echt uniek te noemen wat Martien in bijna dertig jaar speuren in oude archieven en kaarten heeft uitgezocht, geanalyseerd en gereconstrueerd. Niet voor niets is hij al eens gepromoveerd op een proefschrift over bestuursvormen in de Meierij. Zijn niveau van onderzoek is hoog. Ook Commissaris der Koning, Wim van de Donk, heeft dit opgemerkt. In het boek, dat op vrijdagmiddag in de raadzaal werd gepresenteerd, heeft hij een enthousiast voorwoord geschreven. Voorzitter Bernard citeerde enkele passages uit de tekst van onze commissaris en oud-Veghelaar waarin het belang van het zoeken naar ons verleden wordt toegelicht.

Historische geografie
Historisch geograaf, Karel Leenders, kreeg hierna het woord om uit te leggen wat historische geografie nu eigenlijk is. Waarom gingen mensen vroeger op de ene plek wonen en een brug aanleggen en niet op een andere plek? Met een geheel op Veghel toegesneden presentatie en de nodige afbeeldingen wist hij op academische wijze zijn gehoor te informeren over de uitgangspunten die aan het boek van Martien ten grondslag liggen. Daarna kwam de schrijver zelf met een PowerPoint waarin hij een kort overzicht gaf van het eerste deel van zijn boek. Dat behandelt de ontwikkelingen van de inrichting van het landschap van Veghel vanaf de tijd na de Romeinen tot aan 1810. Op zijn bekende, losse manier van vertellen en met de nodige humor wist hij deze ingewikkelde materie op een smakelijke manier te presenteren. Nadat het eerste exemplaar door wethouder van Rinsum onder een rood-geblokte Brabantse theedoek vandaan was gehaald en de eerste exemplaren aan de vertegenwoordigers van de organisaties waren aangeboden die de uitgave van het boek financieel hebben ondersteund, ging het boek in de verkoop.

Run op het boek
In een mum van tijd waren alle boeken die de uitgever had meegebracht uitverkocht. Ook in de boekhandels van Veghel liep het storm en was men snel door de eerste levering heen. Gelukkig liggen er bij de uitgever nog boeken op voorraad. Blijkbaar leeft het historisch bewustzijn bij velen. Met dit boek krijgt dat besef een mooie impuls. Veghel een vet ende goet Dorp, een prachtig boek, full-color, groot formaat, 336 pagina’s en stevig ingebonden. Een nieuwe bron waaruit velen kunnen putten met een schat aan informatie over de bodem waarop de mensen in Veghel leven.

71.
Eindhovens Dagblad, regio Sint-Oedenrode, vrijdag 4 november 2016 Lukas van der Storm
De wonderlijke grenzen van Eerde.
De kerk in Veghel, de pastorie in Rooi

De gemeentegrens tussen Veghel en Sint-Oedenrode liep tot 1966 dwars door het hart van Eerde. Daarna werd het dorp Veghels, ondanks hevig protest. Als de geschiedenis van de drie fuserende gemeenten Sint-Oedenrode, Veghel en Schijndel ergens bijeen komt, dan is het wel in Eerde. Het dorp was eeuwenlang een lappendeken van gemeentegenzen. De Eerdse pastorie stond tot 1966 in Sint-Oedenrode, maar de kerk in Veghel. Pas nu de nieuwe gemeente Meierijstad ontstaat, is de cirkel van de Eerdse grenzen rond. Daarom stond het dorp dit weekend tijdens 'Eerde grenzeloos' stil bij het verleden.

Tony van Geffen (74), actief lid van de heemkundekringen van Eerde en Sint-Oedenrode, maakte de Rooise tijd bewust mee. "Ik woonde in het Rooise gedeelte, dus ik was een echte Rooienaar. Zelfs nu heb ik er nog steeds moeite mee om 'Veghel' op mijn brieven te schrijven. En als ik ga fietsen, rij ik bijna altijd richting Rooi. De mensen zijn daar warmer, gemoedelijker."

De Roois-Veghelse dans om Eerde voert al terug diep in de Middeleeuwen. In de twaalfde en dertiende eeuw groeide Sint-Oedenrode uit tot een regionaal centrum. Inclusief een stadhouder en een schepenmacht, want 'Rode' verkreeg in het jaar 1232 stadsrechtren. "de eerste bewoners van Eerde gingen daarom in Rooi om belasting af te dragen",  schetst historicus Martien van Asseldonk. "Daar zat de macht. Veghel was toen nog een boerengat." Ook gingen de meeste Eerdenaren in Rooi naar de kerk. Maar toen later de eerste vastomlijnde gemeentegrenzen ontstonden, lag Eerde volledig binnen Veghels grondgebied. De 'Rooise' percelen bleven echter onder Roois bestuur vallen, waardoor een enclavestructuur ontstond. Terwijl de eeuwen verstreken, won Veghel steeds wat terrein. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog was het belastingtarief in Rooi drie keer zo hoog als in Veghel. Het bracht sommige bewoners ertoe om huis in Sint-Oedenrode af te breken, en twintig meter verderop in Veghel weer op te bouwen. Na een reeks geschillen in de achttiende eeuw kwam er in 1826 eindelijk een echte grens."Toen wilde men van al die enclaves af", vervolgt Van Asseldonk. "Maar trek maar eens een grens door die lappendeken. Ze raakten meteen de draad kwijt."

De gemeentegrens van 1826 zorgde weliswaar voor een aaneengesloten gebied, maar de grens liep nog altijd kriskras door het dorp.  De pastoor woonde sindsdien op Roois grondgebied, naast de kerk die in Veghel stond. In enkele gevallen liep de grens zelfs dwars door een huis. "De hoofdonderwijzer, meester Neggers, had zijn voorgevel in Veghel staan, en de rest van zijn huis in Sint-Oedenrode." Er moest hulp vanuit Den Haag worden ingeroepen om te bepalen in welke gemeente zijn kinderen geboren zijn. En de krant tekende in 1963 op dat Neggers in twee gemeenten piano speelde. ''s avonds mag de heer Neggers graag een piuttig stukje weggeven en dan flitsen de vingers van het hoofd der school van Veghel naar Rooi. Veghel levert de hoge tonen, St. Oedenrode de lage.'

Na een paar mislukte poginge kreeg Veghel in 1966 uiteindelijk toch wat het wilde: de zeggenschap over heel Eerde. Ondanks hevige protesten van het Rooise gemeentebestuur. Want het ooit zo machtige regiocentrum zag zijn positie steeds verder afbrokkelen. Aan het Rooise gedeelte van Gemonde werd toen ook al getrokken; dat dorp zou uiteindelijk pas in de jaren negentig naar Sint-Michielsgestel gaan. En zelfs anno 2016 is landjepik aan de grenzen van Rooi nog actueel. Son en Breugel aast immers op de buurtschap Zwijnsbergen.

Ondanks alles vormen de grenzen sinds 1966 in Eerde geen splijtzwam meer. Van Geffen: "Afe en toe kwam het nog terug in de carnavalsoptocht. En nu vragen mensen waarom die lijne op de weg zijn geschilderd."Lijnen? Dat zijn de oude gemeentegrenzen, die komend weekeinde nog een keer volop aandacht krijgen.

Eerde staat zondag stil bij oude grenskwestie
De opmerkelijke geschiedenis van Eerde staat zondag centraal tijdens het evenement 'Eerde grenzeloos'. Vlak voordat de gemeente Meierijstad werkelijkheid wordt, staat het kerkdorp stil bij de historie. De burgemeesters Letty Eugster (Schijndel), Peter Maas (Sint-Oedenrode) en Marcel Fršnzel (Veghel) leggen zondag een 'marroute' af naar het kerkplein, elk vanuit een plek die vroeger tot hun gemeente behoorde. Zij worden vergzeld door de gilden. In Eerde zel f zijn de oude gemneentegrenzen van vijftig jaar terug op het wegdek aangebracht. Vlakbij de kerk wordt een informatiebord onthuld, en ook historicus Martien van Asseldonk geeft een lezing. Eerde Grenzeloos begint zondag om 11.00 uur.

71.
Bibliografie (zie ook hiervoor voor zijn stukjes in de Veghelse krant en als lokale correspondent voor het Brabants Dagblad in de zeventiger jaren):

1982
01 - ‘Voor een jongen van tien’ en ‘Voor een kind dat zwanger werd,’ gedichten opgenomen in: Tjeu Haumann, Achter de bloemen
         van Nairobi (BijEEN-Publikatie 20) 79, 111.

1983
02 - 'De mensen van beneden 1', (een verhaal over armoe in Mathare Valley, Kenya), in: BijEEN, juli/augustus 1983, jaargang 16, nr.
        7, p. 28-31
03 - 'De mensen van beneden 2', (een verhaal over armoe in Mathare Valley, Kenya),in: BijEEN, september 1983, jaargang 16, nr.
        8, p. 28-29, 31
04 - 'De mensen van beneden 3', (een verhaal over armoe in Mathare Valley, Kenya), in: BijEEN, oktober 1983, jaargang 16, nr. 9,
        p. 43-45

1984
05 - 'De mensen van beneden, een verhaal over armoe in Kenya', in: BijEEN, november 1984, jaargang 17, nr. 10, p. 43-45
06 - 'Kijk eens mee, MasaÔ, een volk met uitroeiing bedreigd', (publikatie foto’s linksboven p. 24 en rechtsonder p. 25), in: Klap, 1
        december 1984, jaargang 131, nummer 774, p. 24-25
    
1985    
07 - 'Voor galg en rad, in: OnzeWereld, januari 1985, nr. 1, p. 29-32
08 - 'Tien shilling Njoki uit Nairobi, in: BijEEN, januari 1985, jaargang 18, nr. 1, p. 16-19
09 - Dansen als het regent, uitgave van de Week voor de Nederlandse Missionaris (CMC, Oegstgeest 1985)
10 - ‘Roofoverval in Veghel in 1749’, in: van Vehchele tot Veghel 5, (1985) nr. 13, 18-23
11 - ‘Recepten voor Veghelse medicijnen uit 1672’, in: van Vehchele tot Veghel 5 (1985) nr. 15, 68-73
12 - ‘Herberg die Swaen’, in: van Vehchele tot Veghel 5 (1985) nr. 16, 87-88
13 - ‘De heerlijkheid Jekschot’, in: van Vehchele tot Veghel 5 (1985) nr. 16, 89-97

1986
14 - "Hebben jullie dan geen vuilnismannen?" Duizenden Zabalin leven van CaÔro’s vuilnisbelten', in: BijEEN, september 1986,
         jaargang 19, nr. 8, p. 4-7
15 - 'Leven van het vuilnis. De Zabalin in Egypte, ‘Wie kan hen vervangen?’, in: OnzeWereld, oktober 1986, nr. 10, p. 18-21
16 - ‘Met de bek in het nat’, in: van Vehchele tot Veghel 6 (1986) nr. 17, 3-4
17 - ‘De naam Asseldonk’, in: van Vehchele tot Veghel 6 (1986) nr. 17, 11-19
18 - ‘Veghelse windmolens 1340-1345’, in: van Vehchele tot Veghel 6 (1986) nr. 17, 31-32
19 - ‘Bernard van Dam over Jekschot’, in: van Vehchele tot Veghel 6 (1986) nr. 18, 35-40
20 - ‘Moleneigenaars van 1340 tot 1440’, in: van Vehchele tot Veghel 6 (1986) nr. 18, 41-45
21 - ‘Kasteel Frisselstein’, in: van Vehchele tot Veghel 6 (1986) nr. 19, 61-65
22 - ‘Veghelse studenten in Leuven. Veghelse studenten in Leuven, Anna van Asseldonck en haar stichtingen’, in: van Vehchele tot
         Veghel 6 (1986) nr. 19, 69-83.
23 - ‘Kapelaan Wouter van der Asseldonk. De Veghelse kapelaan Wouter van der Asseldonk in 1544 op vrijersvoeten,” in: van
         Vehchele tot Veghel 6 (1986) nr. 20, 89-92.
24 - ‘Het slotje van Jekschot’, in: van Vehchele tot Veghel 6 (1986) nr. 20, 93-96
25 - ‘De Heihoef (1310-1986)’, in: van Vehchele tot Veghel  6 (1986) nr. 20, 100-104
26 - ‘Moleneigenaars 1440-1486’, in: van Vehchele tot Veghel  6 (1986) nr. 20, 107-108

1987
27 - 'Nairobi, Samen bouwen ze het huis van Serafina, in: BijEEN, januari 1987, jaargang 20, nr. 1, foto’s p. 24 en onderste 2 op p.
        25.
28 - ‘Je hebt vuile nagels broer’: korte verhalen uit de slums van Nairobi, [eindred. Rob van Mierlo; foto’s Jan van Eijkeren... et
        al.], (Stichting Gezamenlijke Missiepubliciteit, BijEENpublikatie 51, ‘s-Hertogenbosch 1987) ISBN: 90-6678-032-0, 72 pag.
29 - 'Indrukken van Nairobi, fragment uit ‘Dansen als het regent’, in: De Wereld Morgen, 22ste jaargang, nr. 3,  (Brussel, maart
        1987)
30 - 'De Srilankaanse cultuur verloedert, in: BijEEN, mei 1987, jaargang 20, nr. 5, p. 43
31 - 'Garnalen vangen op Sri Lanka, in: BijEEN, juni 1987, jaargang 20, nr. 6, p. 35
32 - ‘De Heihoef II (1310-1986)’, in: van Vehchele tot Veghel  7 (1987) nr. 21, 7-20
33 - ‘Raadsels rond Jekschot’, in: van Vehchele tot Veghel  7 (1987) nr. 22, 29-34
34 - ‘De Muggenbeemd,’ van Vehchele tot Veghel 7 (1987) nr. 22, 54-55.
35 - ‘Pastoors en pastorie omstreeks 1500’, in: van Vehchele tot Veghel 7 (1987) nr. 23, 63-71
36 - ‘Geneologie van Bynderen,’ in: van Vehchele tot Veghel 7 (1987) nr. 23, 83-86
37 - ‘Russelt – Russent,’ in: van Vehchele tot Veghel 7 (1987) nr. 23, 86-87
38 - ‘Een Romeinse weg in Veghel,’ van Vehchele tot Veghel 7 (1987) nr. 23, 93-97
39 - ‘Kasteel Frisselstein. Een vroege bewoner van Frisselstein,’ in: van Vehchele tot Veghel 6 (1986) nr. 23,97-100

1988
40 - 'Leven in de Srilankaanse branding, in: BijEEN, mei 1988, jaargang 21, nr. 5, p. 44-45
41 - ‘De Helmondse cijnsregisters en de balkcijns’, in: van Vehchele tot Veghel 8 (1988) nr. 24, 3-14
42 - ‘Ontstaan van Zijtaart, Mariaheide, Heuvel’, in: van Vehchele tot Veghel 8 (1988) nr. 25, 31-38
43 - ‘De familie Van Gheel (+/- 1170-1400), in: van Vehchele tot Veghel 8 (1988) nr. 26, 55-57
44 - ‘Vehchele en de Laar-namen’, in: van Vehchele tot Veghel 8 (1988) nr. 26, 71-73
45 - ‘Het ontstaan van de parochie Veghel’, in: van Vehchele tot Veghel 8 (1988) nr. 27, 83-88

1989
46 - 'Kleine vissers in Sri Lanka, Trawlers varen dwars door hun netten, in: BijEEN, januari 1989, jaargang 22, nr. 1, p. 42-45
47 - 'Sri Lanka’s nieuwe president blaakt van optimisme, in: BijEEN, juni 1989, jaargang 22, nr. 6, p. 33
48 - 'Bloedige Burgeroorlog', (onder pseudoniem: Klaas van den Breedelaer) in: De Wereld Morgen, 24ste jaargang, nr. 10,
        (Brussel, november 1989), p. 22-24
49 - ‘Brouwerij Die Swaan’, in: van Vehchele tot Veghel  9 (1989) nr. 28, 3-5
50 - ‘Zondveld, Krijtenburg en Biezen,’ in: van Vehchele tot Veghel  9 (1989) nr. 28, 20-26
51 - ‘Kasteel Frisselstein’, in: van Vehchele tot Veghel  9 (1989) nr. 29, 46-60
52 - ‘De oliemolen bij het Ketelwiel’, in: van Vehchele tot Veghel 9 (1989) nr. 30, 69-75
53 - ‘Dorshout, Leest en Middegaal’, in: van Vehchele tot Veghel 9 (1989) nr. 30, 80-86

1990
54 - ‘Het Graafschap Rode’, in: van Vehchele tot Veghel 10 (1990) nr. 31, 3-13
55 - ‘Kapelkerkhoven in Veghel’, in: van Vehchele tot Veghel 10 (1990) nr. 32, 11-25
56 - ‘De Haveltse kapel’, in: van Vehchele tot Veghel 10 (1990) nr. 33, 27-29

1991
57 - ‘Oude namen van huizen’, in: van Vehchele tot Veghel 11 (1991-1) nr. 34, 6-10
58 - ‘De Kouterakker op het Ven,’ in: van Vehchele tot Veghel 11 (1991) nr. 35, 18-20
59 - ‘De Tienden van Veghel’, in: van Vehchele tot Veghel 11 (1991) nr. 35, 21-27
60 - ‘De Tienden van Veghel’, in: van Vehchele tot Veghel 11 (1991) nr. 36, 26-35

1992
61- ‘Gronduitgiften in Veghel. Het Leins Ven (1200-1835)’ in: van Vehchele tot Veghel 12 (1992) nr. 40, 10-14

1993
62 - ‘Gronduitgiften in Veghel. Zijtaart (1200-1832)’ in: van Vehchele tot Veghel 13 (1993) nr. 41, 3-9
63 - ‘Gronduitgiften in Veghel III. Berg en Donk’ in: van Vehchele tot Veghel 13 (1993) nr. 42, 3-11

1994
64 - ‘Licht op Peellands Verleden. Het graafschap Rode en de cijnskring Peelland’, in: Helmonds Heem 1994, dubbelnummer 1-2,
        7-131
65 - ‘Het ontstaan van Zijtaart’, in: van Vehchele tot Veghel 14 (1994) nr. 44, 29-31
66 - ‘Gronduitgiften in Veghel (+/-600-1832), in: van Vehchele tot Veghel 14 (1994) nr. 47, 27-36

1995
67 - ‘Het ontstaan van dorpen en dorpsgrenzen in Peelland’, in: Helmonds Heem 1995, nummer 2, 79-114
68 - ‘Kolonisatie en confrontatie; een model voor de vorming van het gezag in Peelland en de Kempen in de twaalfde en dertiende
        eeuw’, in: Helmonds Heem 1995, dubbelnummer 3-4, 5-62
69 - ‘Gronduitgiften in Veghel (deel II), in: van Vehchele tot Veghel 15 (1995) nr. 2, 18-32
70 - 'De Achterdijk' in: van Vehchele tot Veghel 15 (1995) nr. 3, 31-46

1996
71 - ‘Het Graafschap Rode. Bouwsteen van het middeleeuwse kwartier Peelland’, in: Brabants Heem 48 (1996), 59-66
72 - ‘Anna van Asseldonck (1600-1638): vroom weldoenster’, Brabantse BiografieŽn 4 (’s-Hertogenbosch 1996) 14-17

1997
73 - De sidderende buffel, uitgave van de Week voor de Nederlandse Missionaris (CMC, Oegstgeest 1997) ISBN 90-72954-13-0
74 - ‘Vier gehuchten worden ťťn’, in: Zijtaart, Hoe het werd wat het is, 125 jaar Sint Lambertusparochie Zijtaart, p. 172-183,
        en 189-190, (Zijtaart 1997), ISBN 90-70336-39-1

1998
75 - 'Schipperen tussen modern en traditioneel. Cultuur is ook hoe een project wordt bestuurd, in: Internationale Samenwerking,
        uitgave van het ministerie van Buitenlandse Zaken, (den Haag, februari 1998)
76 - ‘s Hertogs tienduizend bunders. Het cijnsboek van de hertog van de Meierij van ’s-Hertogenbosch van 1340. Analyse
        en bewerking (met bewerkt databestand) (Rijksachief Noord Brabant, februari 1998)
77 - 'De vergeten verschillen', in: Verder gekeken. Kontaktblad Personele samenwerking CMC, 23 (1998) nr. 1, 2-4.

1999
78 - ‘Census domini ducis. De cijnzen van de hertog van Brabant in de Meierij van ’s-Hertogenbosch 1340-1351’, in:
        Noordbrabants Historisch Jaarboek 16 (1999) 33-95
79 - 'Johannes Ryderus (1591-1658): geestelijk bestuurder', in: Brabantse BiografieŽn 5 (’s-Hertogenbosch 1999) 118-122
80 - 'Missie Baticaloa', in: 't Krantje. De grootste Nederlandstalige Krant in Sri Lanka uitgave van de NVSL 8 (1999) nr. 5,
       10-12.
81 - 'Missie Opsporing Verzocht', in: 't Krantje. De grootste Nederlandstalige Krant in Sri Lanka uitgave van de NVSL 8 (1999)
        nr. 8, 4-6.

2000
82 - ‘Het Middeleeuws cijnshof van Heilissem in Veghel’, in: van Vehchele tot Veghel 20 (april 2000), 21-28

2001
83 - Met Henk Roosenboom: ‘De rechten en inkomsten van de heren van Helmond’ in: Nico Arts, Henk Roosenboom en Lia van
        Zalinge-Spooren (red.) De kastelen van Helmond. Een machtscentrum aan de rand van de Peel (Helmond, 2001) 156-171
84 - ‘De Heihoef’, in: van Vehchele tot Veghel 21 (mei 2001), 14-24
85 - ’Ruzie om Eerde of het ontstaan van een dorpsgrens,’ in: van Vehchele tot Veghel 21 (augustus 2001), 3-60
86 t/m 96 - Wekelijkse column in het Brabants Dagblad: 24 oktober: Even weg; 30 oktober: Onder hulpverleners; 6 november: Een
                  druppel hoop; 13 november: Wie durft?; 20 november: In de sloppenwijk; 27 november: Alledaagse stilte; 4 december:
                  Bedelares; 11 december: Surfen op emotie; 18 december: ‘Honkbalhelm’; 27 december: Het Afghaanse bos; 31
                  december: Geven en nemen

2002
97 - De Meierij van ’s-Hertogenbosch. De evolutie van plaatselijk bestuur, bestuurlijke indeling en dorpsgrenzen ca.
       1200-1832 (Tilburg, 2002) (academisch proefschrift)
98 - ‘De bestuurlijke indeling van Heeze, Leende en Zesgehuchten van de Late Middeleeuwen tot 1811’, in: Heemkronijk (2002),
        3-8
99 - ‘De Rechtspraak in Mierlo en Het Hout,’ in: d’n Myerlese Koerier (2002) nr. 1, 35-44
100 - ‘Gezag en rechtspraak in Deurne, Bakel en Vlierden in de late Middeleeuwen’ in: De Uijtbeijndel 50 (2002) 16-37
101 - ‘Empel, Meerwijk, Geffen, Nuland, Rosmalen en Hintham in de late Middeleeuwen’ in: ‘Rosmalla’ 12 (2002) nr. 2, 18-24
102 - īTilburg en de stichting van de nieuwe stad Oisterwijkīin: De Kleine Meijerij 53 (2002) nr. 2, 63-70
103 - īDe bestuurlijke indeling van Son en Breugel van de late Middeleeuwen tot 1811ī in: Heem Son en Breugel 17 (2002) nr. 3,
          50-58
104 - īDe bestuurlijke indeling van Maarheeze, Soerendonk en Gastel van de late Middeleeuwen tot 1832’ (I), (II) en III in:
           Aa-Kroniek 21 (2002) nr. 2, 96-104; nr. 3 128-132 en 196-199
105 - īHoe de abdij van Floreffe de hoge rechtspraak verwierf te Lieshoutī in: Dīn Effer 15 (2002) nr. 5, 10-12
106 - īHet ressort van de dingbak van Opwettenī, in: De Drijehornickels 11 (2002) 93-97
107 - īDinther en Heeswijk in de late Middeleeuwenī in: Wojstap-kroniek 22 (2002) nr. 2, 16-28
108 - īDe vermeende banden van Nieuwkuijk met Luikī in: Met gansen trou 52 (2002) nr. 6, 93-94
109 - ‘Een toelichting bij een recensie’, in De Kleine Meierij 53 (2002) 140-143
110 t/m 161 - Wekelijkse column in het Brabants Dagblad: 8 januari: Logeren in Kabul; 15 januari: Lijken op de weg; 22 januari Herr
                      Teufler; 29 januari: De gewerenmaker; 5 februari: Kebab en Osama; 12 februari: Beentjes als bezemstelen; 19 februari:
                      De koning van de CIA; 26 februari: Mijnen als vlinders; 5 maart: Het schaap van morgen; 12 maart: Plaspijpen; 19
                      maart: Losse veters; 26 maart: Helden in bijbelse bergen; 2 april: Volle zalen; 9 april: Het kerkhof van al-Qaeda; 16
                      april: Registan is dood; 23 april: Veiligheid; 30 april: Stroom van slachtoffers; 7 mei: Gastvrijheid in de cel; 14 mei: 
                      Militaire ontwikkelingshulp; 21 mei: Gorazde en Kabul; 30 mei: Propaganda-video; 4 juni: Weeshuis vol gevaren; 11
                      juni: Doemscenario; 18 juni: De dood; 25 juni: Afghaanse ‘polder’; 2 juli: Vragen bij terugkeer; 9 juli: Problemen; 16
                      juli:Moedeloos joggen; 23 juli: Grote man; 30 juli: Halve wilde; 6 augustus: De bewakersfluit; 13 augustus: Malalai; 20
                      augustus: Boek van ťťn miljoen; 27 augustus: Thuis front; 3 september: Dapper; 10 september: Vredesconcert; 17
                      september: Twijfels over terugkeer; 24 september: Verrader; 1 oktober: Imagoprobleem; 8 oktober: Huwelijkse
                      voorwaarden; 15 oktober: Redding; 22 oktober: Aartsbisschop cadeau; 29 oktober: Overval; 5 november: Gefluister
                      en bedrog; 12 November: Water en zand; 19 November: Trots en gebroken; 26 November: Zet nooit een bezem
                      rechtop; 3 december: Hemel en hel; 10 december: Ja ik wil; 17 december: Sneeuw in de bergen; 24
                     december: Wachten op mijn ziel; 31 december: Dodencultuur
162 - 'TexandriŽ in de 11de en 12de eeuw', in: Taxandria. Jaarboek van de Koninklijke geschied en oudheidkundige kring van
          de Antwerpse Kempen LXXIV (Turnhout, 2002) 5-15.
163 - 'De ontwikkeling van bestuur en dorpsgrenzen in de meierij van 's-Hertogenbosch (ca. 1200-1832)', in: Taxandria. Jaarboek
          van de Koninklijke geschied en oudheidkundige kring van de Antwerpse Kempen LXXIV (Turnhout, 2002) 221-234.

2003
164 - De Meierij ontrafeld. Plaatselijk bestuur, dorpsgrenzen en bestuurlijke indeling in de Meierij van ’s-Hertogenbosch
          (1200-1832) (Tilburg, 2003)
165 - ‘De ontwikkeling van het plaatselijk bestuur: De Meijerij van ’s-Hertogenbosch, (1200-1832), in: Brabants Heem 55 (2003)
          57-68.
166 t/m 203 - Wekelijkse column in het Brabants Dagblad: 7 januari: Kameel of ezel; 14 januari: Trekvogel; 21 januari: Mooie
                       voeten; 28 januari: De veemarkt van Kandahar; 4 februari: Afgelast; 11 februari: Ambassade; 18 februari: Infiltrant van
                       al-Qaeda; 25 februari: Middeleeuws; 4 maart: Gewraakte foto; 11 maart: Moslim; 18 maart: Granaathuls als
                       kunstbeen; 25 maart: Chemisch wapen; 1 april: Bush-dog; 8 april: Vrouwenoffensief; 15 april: De vuurdoop, 22 april:
                       Zondebokken; 29 april: In de cel; 6 mei: Vrijheid; 13 mei: Risico's; 20 mei: Loos alarm; 27 mei: De bruidegom; 3 juni:
                       In de steek gelaten; 10 juni: Zij, daar in de bergen; 17 juni: Een goeie soldaat; 24 juni: Tarwe en opium; 1 juli:
                       Busqashi; 8 juli: Chirurgen; 15 juli: Vijandbeeld; 22 juli: Hulp van God; 29 juli: Onderduiker; 5 augustus: Studiefonds;
                       12 augustus: Manieren; 19 augustus: Dapper; 26 augustus: Menseneters; 2 september: Elles in Wonderland; 9
                       september: Vrouwen; 16 september: Afscheid.
204 - 'Bericht uit Kabul. Martien van Asseldonk, medewerker Mensen in Nood in Afghanistan', in: Trouw. De verdieping, 16
           september 2003.
205 - 'Dagboek van een hulpverlener: Martien van Asseldonk in Kabul', in: Internationale Samenwerking (2003), nr. 10, 50.
206 - Met Karel Leenders: ‘Een Hoogmiddeleeuwse IJzeren Rijn? De route Antwerpen – Roermond’, in: Noordbrabants
          Historisch Jaarboek  20 (2003) 53-92.
207 - 'Het graafschap Sint-Oedenrode', in: Heemschild, 37 (2003) 85-104.
208 - Deze website over de familie Van Asseldonk

2004
209 - 'Ask the Guru', in: Newsletter MDF (South East Asia office), issue 32, March/April 2004, 2-3.
210 - 'Focussing on capacity during the Afghanistan emergency', in: Capacity Building PSO Newsletter, nr. 3, April 2004, 8.
211 - Help Afghaanse kinderen met onderwijs, uitgegeven door Mayhan, Stichting Studiefonds Afghanistan (Kabul 2004).
212 - Support poor Afghan children with education, uitgegeven door Mayhan, Stichting Studiefonds Afghanistan (Kabul 2004).

2005
213 - 'Capacity Building in Afghanistan', in MDF Newsletter (Netherlands officie), 2 (Ede May 2005).
214 - 'Het huis van Dirk van Altena te Drunen tot 1232 en de oudste gegevens betreffende de schepenbanken in de regio waar Dirk
          van Altena gerechtigd was', in: De Klopkei 29 2005) 3, 2-4.
215 - 'Hertogelijke leengoederen in Veghel, de Poederveldse Hoeve', in: Van Vehchele tot Veghel, 81 (juni 2005) 3-37.

2006
216 - 'Reactie van Dhr. M. van Asseldonk op de reactie van Dhr. Lippe', in: Van Vehchele tot Veghel, 83 (februari 2006) 21-36.
217 - 'Het hertogelijk leengoed De Baecxhoeve', in: Van Vehchele tot Veghel, aflevering I, 85 (mei 2006) 19-29.
218 - 'Het hertogelijk leengoed De Baecxhoeve', in: Van Vehchele tot Veghel, aflevering II, 86 (september 2006) 17-24.
219 - 'Drie dagen in Ghaza', http://anjameulenbelt.sp.nl/weblog/2006/10/28/drie-dagen-in-gaza Ook op www.cordaid.nl
220 - 'De Tol van Venloon en het gezag in de regio Dongen - Drunen omstreeks 1230', in: Noordbrabants Historisch Jaarboek
         22-23 (2005-2006) 235-288.
221 - 'De gemeenschapszin in Zijtaart', in: Zijtaarts belang, (november 2006).
222 - 'Mie de Heks', in: Zijtaarts Belang, (november 2006).
223 - 'Wie kent?', in: Zijtaarts Belang, (november 2006).
224 - 'Pastoors en moraal in Zijtaart 1930-1970', in: Zijtaart Belang, nr. 17 (december 2006).
225 - 'De Blauw Lieve Vrouw', in: Zijtaarts belang, nr. 17 (december 2006).
226-  www.oudzijtaart.nl Website over de geschiedenis van Zijtaart (in samenwerking met Antoon Vissers).

2007
227 - 'Wie kent', in: Zijtaarts belang, (januari 2007).
228 - 'De gemeenschapszin in Zijtaart' deel 1, in: Van Vehchele tot Veghel, 88 (mei 2007) 3-13.
229 - 'De gemeenschapszin in Zijtaart' deel 2, in: Van Vehchele tot Veghel, 89 (september 2007) 23-29.

2008
230 - Bijdrage aan Folklore for managers. A collection of folkstories from South Asia to inspite managers. Collected and edited by Sasanne van Lieshout (MDF-South Asia, Colombo 2008).

2009
231 - ‘Bericht uit een vluchtelingenkamp’, in: Internationale Samenwerking (April 2009) 40-41.
232 - ‘De Moordenaar van Mie de Heks,” in: Zijtaarts belang (mei 2009)

2010
233 - ‘De vermeende uithongering van de Meierij in de eerste decennia van de Tachtigjarige Oorlog’, in: Van Vehchele tot Veghel
           (maart 2010) 2-6.
234 - ‘Het kasteeltje op het Middegaal, dominee Kraijenhoff en de Koolenkampen’, in: Van Vehchele tot Veghel (juni 2010) 11-15.
235 - ‘Stond de eerste kerk van Veghel op Scheifelaar?’, in: Van Vehchele tot Veghel (juni 2010) 15-19.
236 - ‘Rondleiding door een bouwvallig Frisselstein’, in: Van Vehchele tot Veghel (juni 2010) 24-25.
237 - ‘Bestaat Veghel 700 jaar?’, in: Van Vehchele tot Veghel, (december 2010) 13-20.
238 - ‘Jeugdige dienstboden op boerderijen in Zijtart’, “Costkinderen en cleijmeijden” vanaf de achttiende eeuw’, in: Van Vehchele
           tot Veghel, (december 2010) 43-54.
239 - ‘Bergeijk in de late middeleeuwen. Aspecten van heerlijk gezag en het ontstaan van grenzen’, in: Noordbrabants Historisch
          Jaarboek (2010) 10-55.

2011
240 - 'Moraliteit en waarheid. Een reactie op Adriaenssens betoog', in: In Brabant (februari 2011) 24-29.
241 - 'Exit Rittingh', in: Van Vehchele tot Veghel, (maart 2011) 8  -14.
242 - 'Zijtaartse schapenhouders (1862-1922)', in: Van Vehchele tot Veghel, (september 2011) 19  -28.

2012
243 - 'Mie de Heks vermoord', in: Van Vehchele tot Veghel, (maart 2012) 13 -17.
 
2013
244 - 'De laatmiddeleeuwse transitie en de oorsprong van gemeintes en heerlijke rechten op de wildernis in de Meierij van
          ’s-Hertogenbosch', Noordbrabants Historisch Jaarboek 30 (2013) 12-50.

2015
245 - 'Een nog onbekende kaart van Jekschot uit 1647', in: Van Vehchele tot Veghel, (december 2015) 10  -13.

2016
246 - 'De grens van Veghel met Uden', in Sprokkelingen. Historisch informatieblad van de heemkundekring Uden nr. 118
         (december 2016) 7-10.
247- 'De boerenopstand op Jekschot in 1363', in: G. van den Eynde en L. Toorians (red.). Op zand, veen en klei. Liber amicorum
          Karel Leenders bij gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag (Hilversum en Tilburg 2016) 202-225.
248 - Veghel, een goet ende vet Dorp. Het ontstaan van Veghel, de ontwikkeling van landschap en samenleving, 600-1810.
          Nieuwe instrumenten voor de historische geografie (Woudrichem 2016).
249 - (met Karel Leenders): 'Die mate van den lande ende beemden;. De ontwikkeling van de oppervlaktematen in de Meierij van
          's-Hertogenbosch', in: Noordbrabants Historisch Jaarboek 33 (2016) 12-49.
250 - 'Het graafschap Rode', in: Arnoud-Jan Bijsterveld en Vťronique Roelving (fred.), Rondom [Sint-Oeden] Rode, Macht, religie
           en cultuur in de Meierij (Woudrichem 2016) 65-77.
 

Afkortingen Historische sites